Noordrijk

Noordrijk

verhaalsel

| Noordwijk is een dorp waar ze nog steeds rood-wit gestreepte wachtposten hebben. Je komt er zomaar niet binnen. Daarom wordt het ook wel Noordrijk genoemd. De huizen zijn allemaal op duinzand gebouwd en daardoor hebben de mensen die er wonen allemaal een ander uitzicht. Geen huis staat op gelijke hoogte met een ander. Het is een prachtig dorp, met huizen groot en klein, en de mensen die er wonen wonen er sinds mensenheugenis. Daarom is er maar één taal: het Noordrijks. Dat je er zomaar niet binnenkomt, komt dus door de wachtposten aan de grenzen van het dorp. Die grenzen zijn om heel het dorp heengetrokken. Noordrijk ligt aan zee, en dus is de zee ook een grens. Zelfs bij de zee zijn er wachtposten. Die zien er uit als strandhokjes, zwart-wit gestreept, met een deur en een klein rond raam boven de deur. Wie de grens wil passeren, waar ook maar, moet bij een wachtpost eindeloos veel papieren invullen, het zijn formulieren, belangrijke formulieren, want daarop wordt alles opgeschreven wat aan mensen wordt gevraagd, en het wordt opgeschreven door de mensen zelf, die die formulieren invullen, die de vragen beantwoorden, met ja of nee, of met een verhaal. Het kost soms veel tijd de formulieren in te vullen. Daarom staat er naast elke wachtpost een tafeltje met een stoel. Zit daar iemand urenlang te schrijven, omdat hij niet goed weet wat allemaal te schrijven, dan weet je in ieder geval dat iemand echt de grens over wil.

Als het regent staat er ook een parasol. Als de zon schijnt staat de parasol in het wachtposthokje. Daarom zit er een deur in het hokje. Die is voor de parasol. Om de parasol binnen te zetten of naar buiten te brengen. Het ronde raam boven de deur heeft de functie van een oog. Een oog dat er op toeziet dat de formulieren worden ingevuld. De wachtposten zijn onbemand of onbevrouwd. De voorraad formulieren, op een plank in het hokje, wordt regelmatig aangevuld door de Noordrijkers zelf. Als de plank leeg is, willen ze daar, op die plek, even niemand laten passeren, niemand binnenlaten. Zo geven ze duidelijk hun grenzen aan.

De ingevulde formulieren worden door de Noordrijkers zelf opgehaald en beoordeeld. Wanneer de antwoorden op de vragen onbevredigend zijn, wordt iemand opgespoord en terug over de grens gezet. Toch gebeurt dat eigenlijk nooit. De vragen zijn wel zo opgesteld dat iemand het wel uit zijn hoofd laat die niet voldoende te beantwoorden. Eén van de vragen is of men alle gebruiken in Noordrijk wil eerbiedigen. Eén van de gebruiken in Noordrijk is dat alle gebruiken geëerbiedigd worden.

Een ander gebruik is dat elk nieuw goed gebruik welkom is. Ook als een nieuw gebruik een oud door iedereen welbeproefd gebruik vervangt. Maar nu genoeg daarover. In Noordrijk is het leven aangenaam, alleen maar aangenaam. Ook als het stormt, als de wind vanover de zee over het dorp raast. Ook als de wachtposten dan omkieperen. Ook als dan alle formulieren als vogels door de lucht zwieren. Ook als alle grenzen lijken te vervagen. Als het dorp één grote zandstorm wordt. Niemand nog een hand voor de ogen of voor de ramen ziet. Noordrijk blijft Noordrijk. En in Noordrijk weten we wat we aan elkaar hebben, en dus weet je waar je aan toe bent. Dat kan een lekker kopje koffie zijn, maar ’t kan ook een goed glas wijn zijn. Genoeg daarover. Noordrijk heeft alles, behalve wegen.

De wegen hebben ze daar altijd geweerd. Er staan genoeg huizen, talloze huizen zelfs, maar wegen, nee, die zijn er niet. Dat maakt het voor de dominee ter plaatse lastig om uit te leggen wat er in de Bijbel met ‘weg’ wordt bedoeld, of met ‘dé Weg’. Ze hebben er wel een voorstelling van, want hij heeft het vaak genoeg omschreven, maar wat het nou precies is, wie zal het zeggen? Sinds mensenheugenis zijn ze in Noordrijk er onbekend mee. Ze kunnen zo’n ‘weg’ niet voor zich zien en ze vinden het ook een raar woord voor een fenomeen dat in de wereld dan toch zou bestaan. De dominee heeft het keer op keer uitgelegd: als een weg weg is, is die weg niet weg, niet verdwenen, maar bestaat die weg als weg, en is dus niet weg. Nou ze prijzen zich gelukkig dat ze daar nooit aan begonnen zijn. Voor zover ze weten is er geen ‘weg’ in Noordrijk en ook geen ‘weg’ náár Noordrijk.

Langs de kustrand, daar waar de zee aan Noordrijk grenst, precies daar stopt nu een bus. De bus heeft geen weg afgelegd, want die is daar dus niet. De zee wist altijd alle sporen, continu en tot in alle eeuwigheid. Vlakbij is er wel een wachtpost. Het regent een beetje, dus de parasol staat buiten, bij het tafeltje en de stoel. Er is iemand uit de bus gestapt, en hij zit nu op de stoel. Hij vult het formulier in dat hij van de plank in het hokje heeft gepakt.
Hoe luidt uw naam? John.
Bent u alleen? Ja.
Belooft u zich niet, zoals u misschien gewend was, op weg of op wegen te begeven, die onbegaanbaar zijn, dan wel begaanbaar? Dat beloof ik.
Hoe gaat u zich verplaatsen? Mja, dat wordt een heel verhaal. Vooralsnog denk ik zo: met mijn ogen dicht, dromend, op de tast, op goed geluk, misschien aan een hand, als een kind of als een geliefde, maar een bepaalde route, nee zo niet, ik zal mij laten brengen, mij door het lot of door God laten sturen, elke gedachte aan platgetreden paadjes, rechtlijnige wegen laten varen.
Uw antwoord is een belofte? Ja, dit beloof ik!
Welkom in Noordrijk!

 

 Blaise Tolky

 

Reageren is niet mogelijk.