Archief van
Maand: oktober 2018

‘We moeten ons langzaam aan verschansen’

‘We moeten ons langzaam aan verschansen’

[Wim Boevink, klein verslag, Trouw 26|10] Het is zover. Het is tijd. Het licht is bezig te verdwijnen. De dagen vergrijzen. De laatste warmte is naar zuidelijker regionen geduwd. De wingerd tegen de schuur, roodgloeiend nog een week geleden, is kaal. Herfstvakantie.

De treinen vullen zich met kinderen. In straten en op pleinen gaan mensen gehuld in donkere jassen. Met het licht verdwijnt ook de kleur. Om halzen liggen dassen, losjes nog.

De temperatuur is matig, maar de kou is op komst, je kunt hier en daar de woorden ‘natte sneeuw’ horen.

We moeten ons langzaam aan verschansen. Vroeg het lamplicht ontsteken, de gordijnen sluiten. Elkaars gezelschap zoeken.

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr. Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben, wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben und wird in den Alleen hin und her unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Rilke natuurlijk, het slot van zijn beroemde ‘Herbsttag’. In de vertaling van Peter Verstegen:

Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer. Wie nu alleen is, zal het lang nog blijven, zal waken, lezen, lange brieven schrijven en rusteloos de lanen op en neer gaan als de wind de blaren voort zal drijven.

De moerbei voor het raam van de werkkamer staat nog vol in het blad. De werkkamer die straks in hartje winter een kinderkamer zal zijn voor een klein meisje dat ik even op de arm mocht dragen en dat me stil aankeek met ogen die nog naar hun kleur zoeken.

De kopers van ons huis, de mensen die hier onderdak gaan vinden, zijn ons al vrijwel onmiddellijk vertrouwd, er ligt onder hun houding en blik op de wereld een toonsoort die zich gemakkelijk met de onze verweeft.

Er wacht een zachte overgang. Wie nu geen huis heeft. Er verscheen een staatje waarin stond dat van het totale koophuizenaanbod in Nederland nog maar tien procent bereikbaar was voor mensen met een modaal inkomen.

Je kon ze voor je zien, de mensen met hun beurzen, in te kleine huizen onder de grijze hemel, hun centen tellend onder de lamp, en nooit was het genoeg en altijd te weinig.

Op de Amsterdamse televisiezender verlaat een ouder echtpaar een grijs en grauw gebouw. Het gebouw is een ziekenhuis. De man is lang, zijn benen zijn bij de knieën een beetje naar elkaar toegeknikt. Hij draagt een volgeplakte shopper. Een verslaggever vraagt wat er gaande is.

Ze zijn overhaast de spullen komen halen van haar moeder, een 94-jarige met blaaskanker. Ze moet terug naar huis, het ziekenhuis is failliet, de voorgenomen operatie gaat niet door.

Je hoort de ontzetting in hun stem. Ze zijn zelf te oud om voor haar te zorgen.

Dreigt zo’n herfst? Een herfst van omvallende ziekenhuizen?

Wie nu geen huis heeft.

We moeten ons langzaam aan verschansen. Dadelijk is het november, altijd november, altijd regen.

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail
►”Soms hoorden we een scheepshoorn, het mooiste geluid dat er bestaat.”

►”Soms hoorden we een scheepshoorn, het mooiste geluid dat er bestaat.”

francatreur3
“In het huis waar ik opgroeide, leidden we een doodstil leven, op een doodstille plek niet ver van de zee. Dat leven paste bij ons. Dat soort mensen waren wij. Wij lieten ons de stilte niet afnemen door stereotorens, radio’s of televisies. Onze oren waren geschapen om te luisteren naar het schikken van de bladeren aan de bomen, naar het suizen van de leidingen. ’s Nachts was er de wind die blies waarheen hij maar wilde, en als die zich rustig hield waren er de kikkers, de uilen en de katten van de Verhagens.” (p.16)

francatreur4

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail
Leonard Cohen laat postuum nog één keer van zich horen

Leonard Cohen laat postuum nog één keer van zich horen

cohenl4De laatste levensdagen van Leonard Cohen stonden in dienst van The Flame. Dat boek – een bundeling van gedichten, aantekeningen, liedteksten en tekeningen – is nu postuum gepubliceerd.

[Dries Muus, 18 oktober, DeMorgen]

De kerk is achterhaald en spiritualiteit hoogst dubieus. Dus waar moet een 21ste-eeuwse westerling heen voor antwoorden en troost, wijsheid en relativering? Dat moet iedereen natuurlijk helemaal zelf weten, maar er zijn slechtere profeten dan een Joods-Canadese zenboeddhist met hindoeïstische sympathieën, die zijn geloof baseerde op twijfel en nederigheid en zijn woord aanvankelijk verspreidde via gedichten en romans – en later ook nog via liedjes.

De essentie van Leonard Cohen (1934-2016) is terug te vinden in zijn veelgeprezen songteksten, maar misschien wel even sterk in zijn melodieën en zijn stem. Luister nog maar eens naar Jeff Buckleys versie van ‘Hallelujah’ en dan naar het origineel. De zinnen die bij Buckley nog verscheurd klinken, gepijnigd en zwaar, zijn in Cohens diepe bas tegelijk laconiek en glorieus. Buckley zit nog midden in de kwelling, hij lijdt ter plekke; Cohen heeft het lijden allemaal doorstaan en kijkt er verwonderd, dankbaar en licht geamuseerd op terug. Over die melodieën: kort voor Cohens overlijden prees Bob Dylan zijn muzikaliteit uitgebreid in The New Yorker: het natuurtalent voor melodielijnen, de klassiek aandoende akkoordprogressies. “Leonard is een veel slimmere muzikant dan je in eerste instantie zou denken.”

Schrijven en schrappen

Wat blijft er over van Cohens teksten als je die melodieën en die monotone, direct kalmerende stem weghaalt?

Meer dan genoeg, gelukkig. Dat wisten we eigenlijk al na zijn roman The Favorite Game en de latere dichtbundels, en het wordt weer eens bevestigd door The Flame, een postume verzameling van gedichten, aantekeningen, liedteksten, tekeningen, e-mailverkeer met een vriend en een toespraak bij een prijsuitreiking.

Inderdaad: dat klinkt gevaarlijk als een samenraapsel van onvoltooide gedachten. Een tot boek gepromoveerd kladblok, dat bij Cohens leven nooit zou zijn verschenen. Dat laatste is in elk geval niet waar: Cohen heeft de bundeling zelf nog samengesteld en goedgekeurd. Zijn laatste levensdagen, schrijft zoon Adam in het voorwoord, stonden zelfs geheel in dienst van het boek: Cohen schreef, schrapte en verfijnde tot het eind. Maar hij overleed na een nachtelijke val, kort voordat het boek zijn definitieve vorm kreeg.

Het derde deel van The Flame bestaat volledig uit aantekeningen – de oogst van een leven lang notitieblokken volschrijven. Cohen heeft de fragmenten nog wel geselecteerd, maar de volgorde komt voor rekening van de (overduidelijk toegewijde) bezorgers. Niet dat die volgorde er echt toe doet; soms zijn het flarden of gedichten van een paar pagina’s, soms losse aforismen: ‘True love is what happens between two people who no longer need to know each other.’ Soms zijn de aantekeningen gericht aan een geliefde of een passerende mooie vrouw, soms aan een hogere macht. Vaak zijn ze vermakelijk, soms ontroerend, maar het zijn toch vooral aanzetten voor het echte werk. Het is geen verrassing dat de aantekeningen minder interessant zijn dan de voltooide teksten en gedichten. Cohen was een perfectionist, hij schreef langzaam en nauwkeurig. Hij deed er soms jaren over om de regels van een lied, gedicht of zelfs couplet precies de betekenis te geven die hij verlangde. (..) Leonard Cohen is niet meer. Maar op de pagina’s van The Flame vinden we de hele Cohen terug: de minnaar, de joods-boeddhistische geneesheer en de halfserieuze grappenmaker, die zijn milde spot vooral richt op zichzelf – en ons schitterende glimpen van de hele waarheid toont.

cohenl6

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail