Archief van
Dag: 4 december 2017

Henk van Os over kerstmis

Henk van Os over kerstmis

os2
klik om te bekijken

Annemiek Schrijver ontvangt kunsthistoricus Henk van Os in het boshuisje van De Verwondering. Voor deze voormalige directeur van het Rijksmuseum is Kerstmis een religieus hoogtepunt: door de geboorte van Jezus gaat God deel uitmaken van de menselijke tijdrekening. Van Os hecht veel waarde aan het gegeven dat Jezus rondwandelde op aarde, dat hij daadwerkelijk in ons midden was. Dit mysterieuze principe van de menswording is terug te vinden in het verhaal over Franciscus van Assisi, die door de intensiteit van zijn geloof een houten Christuspop tot leven wist te wekken in de kerk van het Italiaanse plaatsje Greccio. Annemiek Schrijver praat met Henk van Os over zijn liefde voor de Heilige Franciscus, de middeleeuwse mode van de kerstkribbe en de nabijheid van God.

Bron: NCRV

Zie ook Inspirerend – Henk & Pieter van Os, Vader & zoon krijgen de geest

Inspirerend

Inspirerend

osPiekerend liep Augustinus langs de zee. In de verte zag hij op het eenzame strand een jongetje. Toen hij dichterbij kwam bleek dat jongetje met een grote pollepel water uit de zee in een kuiltje te scheppen. Bedrijvig holde hij op en neer. ‘Wat doe jij daar, jongetje?’ vroeg Augustinus. ‘Ik ben bezig het water van de zee in mijn kuiltje te scheppen, meneer,’ antwoordde het ventje. Augustinus was verbaasd. ‘Maar jongetje, dat kan toch helemaal niet.’ Het jongetje keek naar hem op en zei: ‘Maar wat ook niet kan is wat jij doet: God met je mensenverstand willen begrijpen.’ Toen zag Augustinus dat het jongetje Jezus was.

os3

 

 

 

Meer: Henk & Pieter van Os, Vader & zoon krijgen de geest – brieven over de drang tot godsdienst

os4
[klik voor vergroting]
os-henk
Henk van Os
ospieter
Pieter van Os

 

 

Als jongetje geloofde Henk van Os al in God.
En zijn geloof, dacht hij, was minstens zo
oprecht als dat van Petrus. Om het te bewijzen,
hoefde hij alleen maar even over water
te lopen. En zo haalde Van Os natte voeten in
het Paterswoldse meer.

Meer dan zestig jaar later verklaart zijn zoon
Pieter dat de belangstelling voor religieuze
kunst van zijn vader niet met zijn geloof te
maken heeft, maar met ‘een drang tot godsdienst’.
Van Os senior is verbaasd. En ook geïntrigeerd.
Maar de materie blijkt zich slecht
te lenen voor een gesprek bij een kopje koffie.
En zo beginnen de twee een briefwisseling
over geloofszaken, die jaren in beslag zal
nemen.

In de brieven die vader en zoon elkaar schrijven,
komt van alles voorbij. Indringende
jeugdherinneringen aan sherrydrinkende
dominees. Mystieke ervaringen bij de
San Dominico in Siena en op het Spui in
Amsterdam. Maar ook persoonlijke drama’s,
als de plotselinge dood van een zusje, en later
van een zoon, die tegelijk broer is. De gedachten
die deze persoonlijke ervaringen oproepen,
verdiepen ze met inzichten van filosofen,
psychologen en (kunst)historici.

Wat is geloof? In het gesprek tussen vader
en zoon probeert de zoon erachter te komen
waarom zijn generatie de deur naar een georganiseerd
geloofsleven helemaal heeft dichtgeslagen.
De vader probeert grip te krijgen
op zijn eigen geloof. Toch is hun uitgangspunt
hetzelfde: het is tegenwoordig niet interessant
meer te vragen wat niet te geloven, maar wat
wel.

[bron: uitgeverijbalans.nl]

 

Amsterdam en Het Grote Verdriet

Amsterdam en Het Grote Verdriet

sluyserHet Amsterdam van Meyer Sluyser

[bron: onsamsterdam.nl] Tekst: Elsbeth Etty

Het literaire beeld van de vooroorlogse Amsterdamse joden­buurt is door niemand sterker bepaald dan door de journalist Meyer Sluyser (officiële naam: Meijer Sluijser). Een wat al te nostalgisch beeld, volgens sommige historici, maar dat is ook geen schande voor een schrijver in wiens familie door toedoen van Hitler “twee-en-zeventig vacatures” waren onstaan.

“Wie op de trans van de Zuidertoren in de Zandstraat staat”, schreef Sluyser in 1957, “aanschouwt de buurt zoals zij is geweest vierhonderd jaar lang. Van boven af gezien vallen de architectonische verschillen tussen de huizen weg. De steegjes en slopjes zijn niet zichtbaar. Als een grote ster liggen de hoofdstraten gespreid rondom het Meyerplein. Van noord naar zuid de Breestraat; de Weesperstraat is, van de Houtmarkt af, er een voortzetting van. Van west naar oost de Sjoelstraaat (de Amstel­straat), die bij de Portugese synagoge even wordt onderbroken en dan als Rapenburgerstraat verder gaat. In 1600, in 1939 en in 1957 heeft de buurt, gezien van de Zuidertoren hetzelfde gezicht.”

‘De buurt’ was voor de in 1901 geboren journalist, socialistisch propagandist en schrijver de Amsterdamse Joden­hoek of, om preciezer te zijn, het gebied tussen Waag en Weesperplein. Hij werd er geboren, groeide er op, ging er naar school en moest vervolgens meemaken dat al zijn familie­leden, vrienden, buren, kennissen niet terugkeerden uit de ver­nietigingskampen. ‘De buurt’, waarvan de sloop al voor de oorlog was ingezet, werd letter­lijk ontzield en nu — bijna een halve eeuw na wat Meyer Sluyser consequent aanduidde als ‘Het Grote Verdriet’ — is er vrijwel niets meer van over.

Op een zonnige winterochtend heb ik Sluysers advies opgevolgd en geprobeerd om vanaf de trans van de Zuidertoren ‘de buurt’ terug te vinden. Vergeefs natuurlijk. Meyer Sluy­ser had het al voorzien. In 1964 scheef hij in Amsterdam je hebt een zoute smaak: “Wanneer een nieuw stadhuis eenmaal breeduit zal liggen pronken van de Zwanenburgwal tot aan de Blauwbrug worden de restanten van de buurt spoedig uitver­kocht”. Het stadhuis kwam er later dan de auteur had gedacht, maar de restanten van zijn jeugd waren toen al lang en breed opgeruimd. Zelfs van boven af is de buurt van Meyer Sluyser nu niet meer waar te nemen. Weliswaar dragen de hoofdstraten nog dezelfde namen als weleer, maar Stopera en Maupoleum, beton, kaalslag en snelverkeer hebben het patroon veranderd en onttrekken het verleden aan het gezicht.

Meyer Sluyser werd geboren in de Markensteeg, die al jaren niet meer op de kaart van Amsterdam voorkomt. Het straatje lag in het verlengde van de Valkenburgerstraat, in de volksmond Marken geheten, waar zich nu de oostelijke zijkant van het Maupoleum bevindt. Toen hij vier was, ver­huisde het gezin naar de Rapenburgerstraat, nu een annex van de verkeersader naar de IJ-tunnel.

“Slopen gaat sneller dan bouwen”, verzuchtte Sluyser in 1959 in Hun lach klinkt van zo ver. “De Rapenburgerstraat is een van de vele straten die eraan gaan, onherroepelijk.” Inder­daad werd zijn ouderlijk huis in de jaren zestig tegen de vlakte gegooid, waarmee hij beroofd werd van een van de schaarse aandenkens aan zijn familie en kinderjaren. “In mijn familie zijn tweeënzeventig vacatures door Hitler”, liet hij zich eens ontvallen. In zijn buurt waren er vele duizenden. Voor de overlevenden zoals hij er zelf een was (hij wist met zijn vriend Loe de Jong te ontkomen naar Londen), schreef hij zijn vijf bundels schetsen over de Amsterdamse Jodenhoek. “Mijn boeken hebben bij hen een ruimte die leeg was, gevuld. In de gaskamers zijn familiegeheugens vernietigd.”

Meyer Sluyser had gelukkig een ijzeren geheugen. In Voordat ik het vergeet vertelt hij: “Als ik de ogen sluit, zie ik op de binnenkant van mijn oogleden de buurt zoals ik haar gekend heb gedurende de veertig jaren vóór Het Grote Verdriet.” In studies over joods Amsterdam zijn wel eens vraagtekens ge­plaatst bij de betrouwbaarheid van Sluyser’s geheugen. ‘Het Grote Verdriet’ zou zijn herinneringen aan de tijd dat ieder­een er nog was, gekleurd hebben met nostalgie waardoor het beeld te mooi is geworden. Waarschijnlijk is dat zo, maar doet het er veel toe? Aan het drama dat zich tussen Waag en Weesperpoort heeft voltrokken, ontleent ‘de buurt’ mede zijn nostalgisch-mythische karakter en de mythe hoort evenzeer bij Amsterdam als de wellicht weinig florissante werkelijkheid. De boeken van Meyer Sluyser hebben Amsterdam iets essentieels teruggegeven: straten en huizen die onder de sloophamer kwamen en de mensen die er hebben geleefd, gesappeld en gewerkt.