Archief van
Tag: angst

Cultuurgeschiedenis

Cultuurgeschiedenis

Buisman

[persbericht] Van oudsher werden donder en bliksem gezien als Gods strafwerktuigen. De uitvinding van de bliksemafleider door Benjamin Franklin in 1752 bracht hierin echter verandering. Welke gevolgen hadden de uitvinding en invoering van de bliksemafleider voor de manier waarop men aankeek tegen het onweer, zowel in wetenschappelijk, religieus als artistiek opzicht?

In Onweer wordt duidelijk gemaakt hoe godsbeeld en natuurbeeld veranderden. De religie van verlichte mensen werd niet zozeer door angst als wel door vreugde bepaald. En ook de natuur werd minder dan voorheen als een bedreiging ervaren. Veeleer mocht zij een vriendin heten. Maar als je niet meer bang hoefde te zijn voor het onweer, kon je er onbekommerd mee gaan spelen. Dat deden dichters, schilders en musici dan ook naar hartenlust. Nimmer heeft in de westerse cultuur zo’n uitgebreide esthetisering van het onweer plaatsgevonden als op het einde van de achttiende en aan het begin van de negentiende eeuw: de Verlichting maakte plaats voor de Romantiek.

‘Buisman schreef een fascinerende en prachtig uitgegeven cultuurgeschiedenis van het onweer.’
– Trouw 

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail
Monumentale roman

Monumentale roman

Tegen het decor van de turbulente gebeurtenissen in India in de afgelopen 100 jaar vertelt de Moor, half jood, half christen, het adembenemende verhaal van zijn familie, door de specerijenhandel rijk geworden en invloedrijke mensen, die vaak in bizarre en aangrijpende situaties terechtkomen en door liefde veroorzaakte tragikomische verwikkelingen doormaken.

rushdiem
(klik voor leesfragment)

[groene.nl] De ‘halfjoodse’ verteller van Rushdies roman De laatste zucht van de Moor doet al schrijvend en met de dood op zijn hielen oefeningen in gedaanteverwisseling en vermomming. Goed en kwaad vormen een tweeling die niet zonder elkaar kunnen. Op de aan hem gewijde laatste reeks schilderijen van zijn moeder Aurora (de echte naam van Doornroosje!) wordt hij weergegeven als een misdadig en losbandig fantoom, een wandelend spook, ‘leek hij zijn vroegere metaforische rol als vereniger van tegenstellingen, vaandeldrager van het pluralisme, te hebben verloren, niet meer te fungeren als symbool (…) van de nieuwe natie, maar te veranderen in een semi-allegorisch beeld van verval. Aurora was kennelijk tot de slotsom gekomen dat de ideeen van onzuiverheid, culturele vermenging en melange – die het grootste deel van haar creatieve leven voor haar het dichtst de notie van het Goede hadden benaderd – geperverteerd konden worden, behalve licht ook duisternis in zich droegen.’ Salman Rushdie heeft met De laatste zucht van de Moor een monumentale roman geschreven die van de eerste tot de laatste bladzijde een pleidooi wil zijn voor de tolerante onzuiverheid en tegen het intolerante fundamentalisme. Ook in de vorm is het boek onzuiver. Wat is De laatste zucht van de Moor? Een historische roman over koloniaal en postkoloniaal, corrupt ‘loedermoeder India’ die haar kinderen liefheeft en vernietigt? Een luguber sprookje over een invloedrijke familie met joodse, christelijke en islamitische invloeden? Een leerboek over schilderkunst? Een economisch handboek voor de winsthongerigen? Een staalkaart van literaire ontleningen (Joyce, Pynchon, Gaddis)? Een satire op de eindeloze godsdiensttwisten en nationaliteitenhysterie? Een vermomde autobiografie van een naar Bombay hunkerende, ter dood veroordeelde balling? Een Ahasverus-verhaal van een dolende, verdoemde schrijver? De vertelling van een vertraagde val van de verteller, die nota bene twee maal zo snel leeft als normaal is? (..) Dat is het allemaal. Bovendien is deze roman – een virtuoze vermenging van genres, tonen en stijlen – een poging om aan de angst te ontkomen. ‘Door het onontkoombare te aanvaarden verloor ik mijn angst ervoor. Ik zal u een geheim vertellen over angst: het is een absolutist. Bij angst is het alles of niets. Ofwel hij overheerst je leven met een domme verblindende almacht als de eerste de beste gemene tiran, ofwel je overwint hem en zijn macht gaat in rook op. En nog een geheim: de opstand tegen de angst, het ten val brengen van die gemene despoot, heeft eigenlijk niets te maken met “moed”. Er zit iets veel concreters achter: de simpele noodzaak dat je verder moet leven. Ik hield op met bang zijn omdat ik, met mijn beperkte tijd op aarde, geen seconde mocht verliezen aan lafheid.’

 

1

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail
Wachten op de barbaren

Wachten op de barbaren

kavafisDe gevleugelde woorden ‘wachten op de barbaren’ zijn afkomstig van de Griekse dichter Kaváfis. Hij schreef in 1898 zijn gedicht ‘Wachtende op de barbaren’, over een decadent geworden stad in het Romeinse Rijk waar senatoren en burgerij welhaast verlangend uitkijken naar de komst van de barbaren. ‘En wat moeten wij nu zonder barbaren. / Die mensen waren tenminste een uitweg.’ De komst van de barbaren zou een uitweg bieden uit de geestelijke leegte, de lethargie, de verveling waaraan deze stad ten prooi was gevallen. De beschaving van de Oudheid ging primair ten onder aan het verval van binnenuit, wachtend op de barbaren die uiteindelijk wel zouden komen, wilde de dichter maar zeggen.

Bettina Stangneth (Nexus 2016): ‘Feit is (..) dat de angst voor de ontmoeting met personen die in welk opzicht ook afwijken (c.q. vreemdelingenangst), zich niet laat beteugelen wanneer er duidelijke, bindende regels gelden waarvan de handhaving door de staat wordt gegarandeerd.’

pfeijffer1Lees ook de eerste van de nieuwe NRC-columns waarin de actualiteit verbonden wordt met literatuur, van schrijver Ilja Leonard Pfeijffer – over president Trump: Wat moet er van ons worden zonder de barbaren? (23-2-2017)

J.M. Coetzee is volgens een recensent in de Volkskrant ‘één van ’s werelds grootste levende schrijvers’.

Is zijn Wachten op de barbaren  actueler dan ooit?

‘Een beetje barbaar weet dat er op hem gewacht wordt. Hij stelt zijn komst uit. Hij richt zijn paard een tegengestelde richting op en verdwijnt spoorslags uit het zicht dat hij nog maar net betreden heeft. Hij kijkt niet om. Hij weet dat zijn opponenten hun daden op hem afstemmen. Hij heeft – een eerste, symbolische overwinning – niet eens een naam voor hen: hij is de Barbaar, zij zijn de anderen, de gewonen, de onzekeren.
En het is die onzekerheid, weet hij, die hem uiteindelijk zal doen zegevieren. De anderen aarzelen, richten wachtposten in, bespreken zijn komst en zijn wegblijven, zijn woeste uiterlijk, zijn gewoonten, die ze maar nauwelijks begrijpen, alles, van het grootste tot het kleinste. Na enige tijd gaan ze romans en gedichten schrijven, en dan, weet de Barbaar, zijn ze op hun zwakst. Ze gaan twijfelen aan zichzelf, aan de verschillen tussen henzelf en de Barbaren, aan het bestaan zelfs van hun mysterieuze tegenpolen. Met een beetje geluk, grinnikt de Barbaar, gaan ze zelfs aan hun eigen bestaan twijfelen – het zijn rare jongens, de anderen.
Ze verzwakken met de dag, en het is vaak niet eens nodig om te verschijnen. De boel stort vanzelf in. Het is dan tijd om zich te vestigen, om zelf een rijk te stichten, aan de rand waarvan na verloop van tijd weer nomaden en wilden zullen verschijnen, primitief, dreigend, onbekend.’
(Mark Boog over ‘Wachten op de barbaren’ tijdens het Coetzee-festival in 2010)

wachtenHier twee leessalon-items bij de roman Wachten op de barbaren:

  • Is het reëel te geloven in een nieuw begin, een schone lei (een nieuw Rijk), of kunnen we beter koesteren wat we de moeite waard vinden?
  • Voor veel (alle? kinderen ook?) mensen is een angstscenario niet iets waar ze liever niet aan denken, maar aantrekkelijk als een visioen – waarom?

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail