Fragment Pascal Mercier, ‘Het gewicht van de woorden’

Fragment Pascal Mercier, ‘Het gewicht van de woorden’

1

Welcome home, Sir,’ zei de beambte bij de paspoortcontrole op de luchthaven van Londen. Simon Leyland keek hem aan op de manier waarop je naar iemand kijkt die juist iets belangrijks heeft gezegd, iets wat je raakt. Hij nam zijn pas in ontvangst. ‘Thank you,’ zei hij, ‘thank you very much.’ Langzaam liep hij door de gang naar de roltrap die naar de bagageafgifte beneden leidde. Af en toe ging hij aan de kant, stond even stil en bekeek alles alsof het de eerste keer was dat hij dit allemaal zag. Op de trap bladerde hij vervolgens door zijn paspoort en bekeek zijn foto. Hij had hem voor het laatst bekeken in zijn werkkamer in Triëst. Daar was het nog de foto geweest van een man die geen toekomst meer had. Nu zag hij een man die weer een toekomst voor zich had. Hij kon het nog steeds niet helemaal geloven. Hij liet zijn blik lang op de foto rusten en struikelde onderaan de trap toen de trede waarop hij had gestaan wegschoof onder de grond. Terwijl hij op zijn koffer wachtte, dacht hij erover na hoe hij zijn paspoort in Triëst in de lade had gelegd bij de andere documenten, die door zijn kinderen gevonden zouden worden. Zonder te weten waarom hij dat deed, had hij zijn pas met zijn vlakke hand stevig op de papieren gedrukt. Het gebaar had iets definitiefs gehad, een druk die iets bezegelde, en terwijl hij de beweging maakte, was hij er zelf van geschrokken. Dat was in september geweest, op een snikhete dag met sirocco. Nu was het november, en het vliegtuig was geland in een fijne mist.
Leyland stapte op de trap af die naar de metro liep en bleef bovenaan staan. Hij keek naar het grote, lichtende logo van de metro, de brede rode cirkel met dwars erdoorheen de blauwe balk waarop in witte letters underground stond. Hij was een jaar of vier geweest toen hij dit voor het eerst had gezien. Zijn moeder en hij waren met de trein van Oxford naar Londen gegaan, ze waren in Paddington Station uitgestapt en hadden daar de metro genomen. De Londenaars spraken van de tube en waren er trots op de oudste metro van de wereld te bezitten, had zijn moeder verteld. Betoverd had hij in het donkere gat van de tunnel gekeken, met die roetzwarte, dikke bundel kabels die langs de muren liepen. Ver in het donker verschenen plotseling vaalgele lichten die steeds groter en helderder werden, begeleid door een mysterieus en onheilspellend gerommel dat steeds harder klonk. Toen de metro ten slotte zo hard de tunnel uit schoot dat het een overval leek en denderend het station binnenreed, duwde hij een luchtstroom voor zich uit dat losse papieren liet opdwarrelen en het perron schoonveegde. De lucht rook naar kelder, stof en kolenkachel, en tegelijk naar iets heel anders, het was een geur die je alleen in de metro aantrof, de geur van de geheimzinnige grote stad, en het jongetje aan de hand van zijn moeder had deze geur diep opgesnoven.
Nu daalde Leyland de trap af naar het perron. Heathrow was het einde van de Piccadilly Line en de metro stond al klaar. Hij stapte in en ging zo zitten dat hij het schema met de verbindingen kon zien. Hij kende het metronet uit zijn hoofd en er was geen enkel station waar hij niet minstens één keer was uitgestapt. De gedachte dat er onder deze enorme stad – zo diep onder de grond dat je eindeloos lang op steile roltrappen kon staan – overal tunnels lagen waarin talloze treinstellen met vale lichten door het roetige donker reden, was hem steeds blijven fascineren en in zijn werkkamers had hij altijd een plattegrond van het metronet aan de muur gehangen. Sidney, zijn zoon, had heel lang tevergeefs geprobeerd hem over te halen een mobiele telefoon te gebruiken. Ten slotte had hij hem er een voor zijn verjaardag gegeven en er een app op geïnstalleerd die informatie gaf over vertragingen bij de Londense metro. Het signaal klonk als een traag naar beneden vallende waterdruppel, waarna op het scherm bijvoorbeeld te lezen stond: Central Line: two minutes delay at Bond Street. Leyland kon er geen genoeg van krijgen en had de telefoon altijd op zak, hoewel hij het verfoeide overal bereikbaar te zijn. Als het signaal in gezelschap weerklonk, haalde hij zijn telefoon tevoorschijn en las met uitgestreken gezicht voor: Circle Line: three minutes delay at Victoria Station. De mensen beschouwden het als een gril van hem, maar het was veel meer dan dat. Soms ging hij op de Molo Audace zitten, de grote pier bij de haven van Triëst, liet zijn benen bungelen en wachtte op een signaal uit Londen. Hij vertrok pas als hij het bericht ontvangen en de boodschap gelezen had. De Molo Audace en de tube: als die nu eens op dezelfde plek hadden kunnen zijn.
Leyland luisterde naar het doffe gebonk van de wielen toen de trein vertrok. Telkens als hij dat na lange tijd weer hoorde, besefte hij hoezeer hij dit zachte, ritmische bonken had gemist. Het was een geluid dat alles vrolijker maakte. In september, toen hij zijn paspoort voor altijd had weggeborgen, had hij zich voorgesteld dat hij hier in de metro zat en dit geluid hoorde. Het zou niet meer helpen, dacht hij. Helemaal niets zou meer helpen. Hij sloot zijn ogen. Het was voorbij. Het was toch voorbij.
Leicester Square. Leyland liep door de gang naar de Northern Line. Op het perron stond hij voor de automaat met Cadbury’s chocolade. Gewoonlijk gooide hij daar bij elk bezoek aan Londen muntjes in en haalde er een chocoladereep uit, in een donkerblauwe wikkel met gouden letters. Hij liet de chocolade dan iedere keer heel traag smelten op zijn tong, zag verschillende treinen passeren en ademde diep in als hij de luchtstroom voorbij voelde komen. Hij dacht dan terug aan de vorige keer en de keer daarvoor en probeerde zich te herinneren wat er in de tussentijd allemaal gebeurd was. Wat heb ik met mijn leven gedaan? vroeg hij zich dan weleens af. Soms leek de vraag hem simpel en duidelijk, andere keren klonk ze hem vreemd in de oren en wist hij niet goed waar hij naar vroeg en wat een antwoord zou kunnen zijn. Hij was dan met zijn gedachten in Triëst, hij zag alles precies voor zich, alle straten en alle kamers, hij kon zich alle belangrijke gebeurtenissen voor de geest halen en toch had hij het bevreemdende gevoel dat dit alles niet helemaal werkelijk was. Dat het langs hem gleed zonder hem mee te nemen. Hoe kon dat? Omgekeerd had hij, wanneer hij door Triëst liep, soms het gevoel dat Londen steeds minder werkelijk werd. Op zulke momenten klonk het hoge signaal van de Londense metro op zijn telefoon als een verre, vervagende herinnering, of als een hallucinatie, een periode die hij zich had ingebeeld. Alleen als hij met een vertaling bezig was en urenlang naar de juiste woorden zocht, was hij veilig voor dit gevoel van achteruitdeinzende, verdwijnende werkelijkheid. Alleen dan was alles in orde, was het helemaal nu.
Deze keer haalde hij geen chocolade uit de automaat. Het moest deze keer anders zijn. De vraag naar zijn leven zou nu anders zijn. Hij was naar Londen gekomen om op een andere manier met de tijd te leren omgaan. Hoe – dat wist hij nog niet. Hij had een huis in Hampstead geërfd van zijn oom, Warren Shawn. Hij had er de laatste dagen in Triëst steeds vaker over nagedacht en steeds meer had dit hem de juiste plek geleken om na te denken over de volgende fase van zijn leven. Het was Sidney en Sophia opgevallen dat hij de grote koffer had meegenomen. Bij het afscheid op de luchthaven had Sophia naar zijn paspoort gewezen. ‘Je hebt nooit een Italiaans paspoort aangevraagd,’ had ze gezegd. Hij had zijn dochter, die bijna was afgestudeerd als arts, over het hoofd geaaid. ‘Wees maar niet ongerust, ik kom terug,’ had hij gezegd. Toen het vliegtuig opsteeg had hij naar beneden gekeken en gedacht: vierentwintig jaar. En wat nu?
De treinwielen hamerden. Tottenham Court Road, Goodge Street, Warren Street, Euston. Nog vier haltes tot Belsize Park. De trein reed het station binnen. Dat was het station dat hij het beste kende van allemaal. Drie jaar lang was hij hier in- en uitgestapt, toen hij in het Belsize Retreat Hotel op een zolderkamertje had gewoond en voor een hongerloon als nachtportier had gewerkt. Dat was meer dan veertig jaar geleden. Hij kende toen elke bank op het perron, elk reclamebord, nagenoeg elke tegel en elke voeg in de muur. Aan de andere kant van het station hadden twee automaten met Cadbury’s chocolade gestaan, aan deze kant slechts één. Toen hij hier bij zijn laatste bezoek was uitgestapt, had hij gezien dat de ene automaat beschadigd was en scheef aan de muur hing. Op een stille en onzichtbare manier had hij zijn houvast verloren. In zijn droom had hij de automaat weer recht gehangen. Toen hij wegging en achteromkeek, hing hij weer scheef.
Toen de trein Hampstead binnenreed, verjoeg Leyland de herinnering. Hij nam de lift en stapte naar buiten, de mistige straat op. Het licht van de straatlantaarns verspreidde een diffuse, melkachtige halo. Leyland liep door de stille straten, de wieltjes van zijn koffer ratelden op het plaveisel. Schuin tegenover het huis van Warren Shawn was een tearoom waar zijn oom elke dag om vier uur stipt zijn thee had gedronken. Leyland nam plaats in een nis bij het raam en keek naar het huis aan de overkant. Het lag een beetje weg van de straat, donker en stil tussen kale fruitbomen. Was het echt mogelijk dat dit huis nu van hem was? Warren Shawn had het gekocht toen hij op zijn veertigste professor oosterse talen werd aan de School of Oriental and African Studies. Hij had jarenlang in het Midden-Oosten gezeten, in Beiroet, Damascus, Isfahan en Jeruzalem, en was benoemd als een van de jongste professoren. Dat was in het jaar dat Leyland van school was weggelopen in Oxford en in het Belsize Retreat Hotel onderdak had gevonden. Hij had Warren Shawn opgezocht, de zomer liep ten einde, het hele huis rook naar frisse verf en overal stonden onuitgepakte kisten vol boeken met stickers van verre landen erop. Zijn oom had niet gevraagd waarom hij uit Oxford was weggelopen en daar was Leyland hem dankbaar voor geweest. Hij had stiekem gehoopt bij hem te kunnen intrekken, maar al tijdens dit eerste bezoek had hij gemerkt: dit was een man die alleen wilde leven. Toen hij achteraf weer in zijn bed lag op zijn zolderkamertje merkte hij dat hij dit prima vond. En dat hij het eigenlijk ook prima vond om alleen zijn mannetje te staan. Hij had bij Warren Shawn op Russell Square colleges Arabisch, Perzisch en Hebreeuws gevolgd en zag nog steeds voor zich hoe die na afloop van zijn les in de collegezaal een van zijn ovale Egyptische sigaretten opstak. De colleges waren ’s ochtends vroeg, hij vocht na een slapeloze nacht tegen de vermoeidheid maar ging erheen, en Warren Shawn knikte hem even toe als hij hem zag. Eenmaal per maand bezocht hij hem thuis, ze dronken thee en zijn oom vertelde over de oriëntaalse cultuur. Op een dag hing er in zijn woonkamer een grote kaart van de Middellandse Zee. Plotseling had Leyland gezegd dat hij graag alle talen wilde kennen van de landen die grensden aan de Middellandse Zee. Het was een spontane gedachte die hem zelf verraste, een gedachte, zo leek het hem achteraf, die alles samenvatte wat van belang voor hem was, een gedachte die zijn grote levenshonger, die hem uit Oxford had weggejaagd, tot uitdrukking bracht. Warren Shawn was in de lach geschoten, had een blik op de kaart geworpen en hem vervolgens een hele tijd aangekeken. ‘Niet onmogelijk. Ik acht jou ertoe in staat. Begin maar meteen. En vergeet het Maltees niet!’ Nu opende Kenneth Burke in het huis ernaast een raam, hij bleef staan om een sigaret op te steken. De gloeiende punt ervan had in de mist ook een fijne, melkachtige halo, net als de straatlantaarns. Hij woonde daar al lang en had de laatste jaren naar Warren Shawn omgekeken. ‘Ooit zal hij alles voor me regelen,’ had zijn oom gezegd toen Leyland hem de laatste keer had bezocht. Het was Burke die hem in Triëst had opgebeld om te zeggen dat Warren gestorven was. Dat was in juli, niet lang nadat hij van dokter Leonardi de diagnose had gekregen. Sophia was langsgekomen en had hem zijn koffer zien pakken. ‘Je gaat niet naar Londen,’ had ze gezegd, ‘niet met zo’n diagnose. Ik mag er niet aan denken dat je onderweg een aanval krijgt.’ Ze had hem zachtjes op de bedrand geduwd en hem vastgehouden toen hij begon te trillen. Daarna had ze de koffer uitgepakt en iets te eten gemaakt. Voor ze aan de universiteit ging studeren, was ze verpleegster geweest en de patiënten mochten haar vanwege de rustige en vastberaden manier waarop ze hun angst wist te verminderen. Ze had Burke opgebeld en haar vader met een leugentje om bestwil verontschuldigd. Twee weken later had hij een brief van de advocaat van Warren gekregen waarin stond dat hij het huis had geërfd. Tijdens een slapeloze nacht had hij niet kunnen weerstaan aan de drang om het huis nog één keer te zien, door alle kamers te lopen en bij de kaart van de Middellandse Zee te blijven staan. Bijna als in een gebeurtenis uit een droom, waarin wensen de weerstand van de werkelijkheid uitschakelen, was hij met een kleine reistas naar de luchthaven gegaan. Hij was nog maar nauwelijks in de vertrekhal of hij kreeg een aanval van hoofdpijn en had in het toilet moeten overgeven. Een uur later stond hij weer thuis. Sophia was niets te weten gekomen.
En nu zat hij hier te kijken naar het donkere huis aan de overkant. Niet alleen in huis was alles donker, ook het pad tot aan het tuinhek was niet verlicht, zoals dat vroeger altijd wel het geval was geweest. Het was de duisternis na een voorbij leven, een duisternis waarin de tijd niet langer verstreek. Hij zou straks alle lichten aansteken en de tijd opnieuw doen verstrijken. Maar niet meteen. Eerst bestelde hij nog een thee en iets te eten. Nu hij weer een leven voor zich had, wilde hij kwistig omgaan met zijn tijd. Voelen hoe die verstreek zonder dat hij iets ondernam. Voelen dat hij niet langer ademloos een eindpunt tegemoet dreef. Voelen dat hij zaken kon uitstellen zonder daar later spijt van te hebben. De eerste dag van zijn nieuwe tijd had hij doorgebracht op de overzetboot tussen Triëst en Muggia. De hele dag op dezelfde veerboot, heen en terug, heen en terug. De derde keer mocht hij van de kaartjesknipster niet meer betalen. ‘Va bene!’ Het was de laatste overtocht van de dag, ze kwam naast hem zitten en stak een sigaret op. ‘U vindt dit een leuk tochtje,’ zei ze terwijl ze de rook uitblies. ‘Het is altijd weer alsof het de eerste keer is,’ had hij gezegd. Verbaasd had ze hem aangekeken. ‘Veramente?’ Even was hij in de verleiding geweest zijn hele verhaal te vertellen aan haar, aan een wildvreemde, bij wie de wind de haren in het gezicht blies. Ze waren samen uitgestapt en hadden samen een eindje over de pier gelopen. Toen had ze ciao gezegd, even later had ze zich omgedraaid en gezwaaid. Hij was op de Molo Audace gaan zitten en had zijn benen laten bungelen. Toen een schip wegvoer had hij zijn broekspijpen en zijn schoenen in het deinende water gehouden en gekeken hoe het zeewier zich om zijn enkels slingerde.

1