De vraag

De vraag

nadenken
Blaise T. zoekt hier het juiste antwoord bij de juiste vraag

professor-bestaat-god-3

 

‘Professor, welk boek is ’s werelds beste boek?’

‘Sorry, nog een keer de vraag.’

‘Welk boek is het beste boek van de wereld?’

‘Ehm ja, van de wéreld – geen idee eigenlijk, van Mars of Venus zou ik het wel weten.’

‘?’

‘Op Mars wordt gelezen wat op Venus wordt bedacht.’

‘Zou dat waar zijn?’

‘Zeker weten.’

‘Ben onder de indruk.’

‘Ik ook.’

‘Maar ’s werelds beste boek zal toch ook wel eens gevonden zijn of nog komen of bedacht worden of gelezen?’

‘Uiteraard.’

‘Maar u weet dus niet welk boek dat zal zijn.’

‘Ik weet het wel, beken ik je, maar ik mag het niet zo even snel hardopperig zeggen.’

‘Van wie niet?’

‘Tja, van de schrijver niet.’

‘U kent de schrijver?’

‘Ik ken zijn of haar schrift.’

‘U leest in het beste boek van de wereld!?’

‘Lettertjes – meer niet.’

‘Maar het wordt een boek?’

‘Ja beslist, ’s werelds beste. Het wordt geschreven vanaf de laatste punt.’

‘In het Hebreeuws misschien?’

‘Nee, niet in het Hebreeuws. Ik zei geschréven, niet gelézen – goed blijven opletten.’

”s Werelds beste boek wordt alleen geschreven?’

‘Ja, we kunnen het pas lezen wanneer de laatste letter als eerste verschijnt.’

‘Niet eerder?’

‘Nee, natuurlijk niet. Eén letter maakt alle verschil.’

‘Zal het boek een titel hebben?’

‘Ja, een onbekende letter.’

‘Een zonder betekenis?’

‘Een onleesbare letter.’

‘Best flauw.’

‘Ja best flauw, maar dan hebben we eindelijk een titel die alle andere titels overbodig maakt.’

‘Waarom?’

‘Dan is het boek al gelezen dus.’

”s Werelds beste?’

‘Ja.’

‘De titel komt na het boek?’

‘Heb ik dat nog niet gezegd?’

‘Eerst het boek en dan de titel?’

‘Dat zei ik toch al?’

‘Maar dat is eigenlijk heel normaal!’

‘Zie je nu wel, de schrijver schrijft zijn of haar schrift.’

‘Maar wil onbekend blijven..’

‘Ja, waarom moet ik steeds alles herhalen, dat zei ik toch al?’

‘Nee, dat hebt u voor deze eerste keer nog niet gezegd.’

[zacht] ‘O.’

[zacht] ‘Wat bedoelt u met o?’

[zacht] ‘Dat is na alles de titel.’

[hardop] ‘Toch geen onbekende letter..’

[zacht] ‘Je zou denken van niet maar als de titel gelezen wordt NA heeeeeeeel het verhaal…’

[zacht] ‘Ja dan verschiet die letter eindeloos van klankkleur en betekenis..’

[hardop] ‘Precies.’

[zacht] ‘Nu nog de naam van de auteur..’

[zacht] ‘Die is gelijkluidend.’

[zacht] ‘Hoe weet u dat?’

[zacht] ‘Ik ken zijn of haar schrift. Jij toch ook?’

[extra zacht] ‘O.’

[extra zacht] ‘Ja, o.’

 

nadenken4

 

 

 

professor-bestaat-god-2

‘Professor, wanneer vergaat de wereld?’

‘Volgens mij morgen.’

‘Dan al?’

‘Nou misschien toch niet, ik dacht het gisteren ook, en zie wij leven.’

‘Maar de dag na morgen halen we niet?’

‘Nee mijn beste, die dag halen we niet.’

‘U gelooft niet in een wereld van overmorgen?’

‘Nee, ik ben al blij als ik morgen kan zeggen morgen hebben we weer een dag.’

‘Maar dat zit er niet in als de wereld morgen vergaat..’

‘We zullen het meemaken.’

(snikken)

‘Waarom huilt u?’

‘Ik hoopte elke dag op een nieuwe dag en die hoop moet ik morgen laten varen!’

‘Wie zegt dat?!’

‘Ik!’

‘Nee maar! U denkt écht dat morgen de wereld vergaat!’

‘Ja, ja, ja!’

‘Maar dat valt nog te bezien!’

‘Nee, nee, nee!’

‘Morgen is alles voorbij?!’

‘Morgen is alles voorbij!’

‘Dit ook?’

‘Wat?’

‘Ons gesprek.’

‘Ja, o, o, o, ook ons gesprek is dan voorbij!’

‘Weet u wat, we geven dit gesprek een open einde..’

‘Je bedoelt: praten we morgen verder?’

‘Ja en overmorgen..’

‘Je bedoelt: zolang we met elkaar in gesprek zijn..’

‘Dat bedoel ik..’

simple deal

 

 

professor-bestaat-god

 

‘Professor, bestaat God?’

‘Wil je het zeker weten?’

‘Nee, een vermoeden is genoeg.’

‘Dan vermoed ik dat jij het antwoord al weet.’

‘Dus God bestaat?’

‘Ja, nu je het vraagt.’

‘Is dat uw antwoord?’

‘Ja, mijn antwoord is jouw vraag.’

‘Dus mijn vraag is Uw antwoord?’

‘Ja, mijn antwoord is jouw vraag.’

‘U bent God?’

‘Nee zeg, wat een vraag!’

‘Het zou toch kunnen?’

‘Dat zou je niet willen!’

‘Dan zou ik wel aan U kunnen vragen of U bestaat..’

‘Ben je niet goed wijs?!’

‘Het is maar een vraag..’

‘Je weet mijn antwoord.’

‘Dus God bestaat?’

‘God bestaat ja.’

‘Niet dat U het zeker weet..’

‘Nee, dat niet.’

‘Zou U dat willen?’

‘Nee, waarom?’

‘Omdat u professor bent.’

‘Ja oke, maar het kan niet.’

‘Weet u dat zeker?’

‘Nee, ook dat het niet kan kan niet zeker worden geweten.’

‘Dus het kan, zeker weten dat God bestaat?’

‘Ja het kan, zeker weten dat God bestaat.’

‘Zou u daar dan een boek over willen schrijven?’

‘Natuurlijk, de titel zou zijn: God bestaat.’

‘Zou iemand het willen lezen?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Niet?’

‘Nee, geen mens zou mij geloven!’

‘Ik wel, professor.’

‘Jij?’

‘Ja.’

‘Waarom?’

‘U wilt de waarheid schrijven en niets dan de waarheid.’

‘Ja, zeker weten, dat is zo.’

‘Nu zegt u dat u iets zeker weet..’

(stilte)

‘Professor, ik wil u helpen dat boek te schrijven.’

‘Dat is aardig, maar ik weet nu al, we krijgen geen letter op papier.’

‘We kunnen toch gewoon proberen de waarheid op te schrijven?’

‘Over God?’

‘Ja.’

‘Maar God is alle waarheid want God is God.’

‘Zullen we dat dan opschrijven?’

‘Dat wordt geen dik boek..’

‘Maar er staat wel alles in, over God.’

‘En we hebben een titel!’

‘Ja, God bestaat.’

‘Nu alleen nog een mooie cover!’

‘Doen we helemaal wit, met de titel in zwart.’

‘De waarheid zwart op wit.’

‘Ja.’

(stilte)

‘Dank je wel voor je vraag.’

‘Waarom?’

‘Je vraag is als een lichtspoor in de nacht.’

(stilte)

‘U bent geen professor?’

‘Nee.’

‘U bent dichter?’

‘Ja.’

simple deal