De kleine nieuwe gelukwereld – een vertelling

De kleine nieuwe gelukwereld – een vertelling

© 2016 Leendert W. van der Sluijs, tweede en herziene webeditie

Illustraties: poëtische kunst van Marc Chagall

 

Torniamo all’antico e sarà un progresso/

Laten we terugkeren tot de oude tijden, het zal een vooruitgang zijn

Giuseppe Verdi

 

*

De zelfontdane titel van dit vertelde

schept De kleine nieuwe gelukwereld

en zowaar twee broers aan weerszijden

van een heuvel, te heten bij voorwaartse

legende Jizra en Barend.

De een met groot gezin en weinig geld;

de ander rijk, een vrouw, geen kinderen.

De armoede van de een, de rijkdom van de ander

als een berg

tussenin.

De rijke broer overdacht in

broeierige nacht overvloed en zegen,

haalde schoppend graan uit donkere schuur

en bracht het de broer, ongezien.

De arme Jizra overdacht in de sterrennacht zijn zegen,

de kinderen, zijn broer Barend in rijkdom en weelde,

de zorg van leven, en haalde evenzo graan uit

eigen schuur en bracht het de broer, onwetend.

Dit te herhalen. Elke nacht. Elke ochtend de

verbazing geen korrel minder of te meer in

bezit, behoudens een gezaaide vloer, be-

spikkeld leem.

Tot de nacht van treffen op de top

van eender heuvel, het besef van

eerder goed tegen het dreigen van

sterven in het leven.

Omarming. Kussen op het hoofd.

*

Chagall_-The-House-in-Grey-1917-300x275

*

Sinds de ontmoeting op de heuvel

voor Jizra en Barend verandering na

verandering. Twee broers aan weerszijden

van het hoge landschap, uit elkaars zicht

verdwenen, maar doen als gescheiden,

nee. Lange wandelingen tot in de wijde

omgeving, overal hun voetstappen in sporen.

Zo vaak de broers de heuvel overstaken,

zo vaak sleet een aantal millimeters weg.

Nu is er niets meer van dat trekken over – alleen

het vlakke veenveld. En nazaten, die zijn er.

*

Barend, harde werker, rijk, tevreden, thuis niet

volmaakt gelukkig samen, zo dolgraag kinderen.

Lange tijd later verrast met een kind. Hun toekomst.

Het leven gered. Niet langer vruchteloos, zo

zei zij. Al het geld uiteindelijk vermaakt.

*

Jizra, broer van de rijke, rijk met

kinderen. Rondom de heuvel spreidde

zijn uitleg in stof, de daling tot nul, van

generlei waarde: Zonder delen, zo zei hij,

wordt dit alles vanzelf tot niets. Te kiezen eigen

vreugden wil ik met anderen en geef er dus

van weg, zo eenzaam anders. Mijn kinderen

houden me bij deze les van het leven. Wij

geboren voor het spel. En het spelen. Voor

echte vreugde, echte rijkdom.

*

Het luisteren naar een broer! Te nemen

oude paden in wijde omgeving, zoek

de lucht met vluchtende vogels:

bij zware regen binnen. De zegen tot de

bodem, sta niet in de weg. Schuilen

is het bescheiden huilen van dieren.

*

Barend keek om zich. Stond. Stil.

Ook Jizra geen pas. De natuur per keer

geschenk, zei Barend. Kijk eens met grote ogen.

De harmonie oorspronkelijk, ga niet nieuwsgierig,

betweterig op onderzoeksknieën: niets dan dis-

harmonie, het wrede.

De grauwe klauwier. Zeldzaam. In het veen

laatste exemplaren. In broedparen.

Ze hebben de stevige zwarte snavel, venijnig haakje

aan het einde van. Handig, doortastend hun

overmeesteren van prooi, maar hun manier

van doden: geen snelle beet in de nek,

geen vernietigende kneep in de hartstreek,

de dood min of meer het bijkomstig resultaat,

van het verscheuren.

Daarna het spietsen van de buit, aan puntige

dorens, aan dorre takken. Delen van hagedissen,

kleine vogels, muizen. Machteloos met poten

malend een ellendige dood.

Barend somberde maar wat.

Jizra hoofdschudde. De zorg in de natuur

van horen zeggen. Moeder en vader adelaar,

leren hun jongen te vliegen. In hun val op

vleugels genomen, gedragen. En elke bloesem sterft

voor vrucht, en tenslotte sterft ook de boom.

En ah de graankorrels. Onze verre voorouders

Joden. Jehudiem. Godlovers.

*

chagall litho

*

De twee sloegen op schouders. Ogen spraken

eigen boekdelen.

Elk naar huis. Thuis overdachten zij.

*

Jizra bladerde in Joodse vertellingen,

Barend in een verzameling sagen

van Gust van de Wall Perné,

zijn naam te lezen onder bepaalde lichtval.

Gelezen over een kleine wereld vol geluk.

Groter dan de angst het ontzag voor

het geheim van het leven.

*

Zo rijk hij was, het leven te waarderen,

de grote en de kleine dingen.

Hij hoorde watergeklater. Zonder te zien

wist hij zijn vrouw haren spoelend in hun

ijzeren bak. Het geluid van kostbaar regen-

water deed het zo goed. Hij hield het boek

tegen zijn kin, gekanteld.

*

Aan Jizra’s kant van de heuvel het veen

drassig, zompig – met grote plekken moeras.

Met moeite op een afgeveend stukje van

de grond wat rogge verbouwen. Er

waren een paar geiten, wat kippen.

In de hooitijd trok hij naar Holland.

Arm maar rijk. Zijn vrouw ijverig met de

nieuwe bezem in touw, Jizra las,

op een matje in een hoek van het

eenvoudig optrekje, een plaggenhut,

aan een zandpad.

Hij las over Israël ben Eliëzer, de vader

Joodser stroming, het chassidisme.

Hij las: ‘Er wordt verhaald: Een zachte helling

was het, waarop Israël ben Eliëzer woonde,

maar dezelfde berg had ook steile toppen.

In zijn uren van inkeer was hij gewend tot

die steile hellingen op te klimmen en

daar te verpozen. Eens was hij zo diep in

overdenking, dat hij niet merkte reeds

aan de steile afgrond te staan en kalm

zijn voet hief om verder te gaan. Toen

sprong de berg ernaast naderbij en

drukte zich dicht tegen de andere aan, en

Israël ben Eliëzer ging verder.’

Jizra glimlachte. Wij voegen ons niet,

niet naar omstandigheden, zo dacht hij,

de omstandigheden voegen zich wel naar ons.

*

Chagallafb_02%20Veehandelaar op weg naar de markt

*

Barend in eigen oude schommelstoel, eiken,

hoe ouder een stoel, hoe fijner, dacht hij. Reden

genoeg om alles oud en vertrouwd zo lang

mogelijk te houden. Zich te voegen naar

omstandigheden geeft andere ontdekking:

de omstandigheden voegen zich eerder,

naar de persoon die dacht te voegen.

Schommelstoelles. Hetzelfde

te denken op afstand, diagonaal mentaal bij

Jizra’s Joodse vertellingen. Met een schuin

oog keek hij naar de rug van de band

op het tafelblad, daar neergelegd

voordat hij bedachtzaam, tussen hemel

en aarde de kin de achterflap las: Wondere

verhalen rondtrekkend verzameld op hofsteden,

in hutten bij gastvrij haardvuur. ‘De witte juffer’,

‘De Aardmansberg’, ‘De Echoput’, ‘De Hooge Duvel’,

‘De Rooie Heg’ en ‘De Woeste Hoeve’.

*

Deurkloppen. Wie? De deur vanzelf open. Briesje

naar binnen. Haakje vergeten. In de opening

de koopman, in oudroest. ‘Heb-de-no-wa-wegte-guve?’

Oude vraag. Rijkdommen aangetast door roest.

Meegelopen piepte de machtige bolderkar puilend, touw

snoerstrak. ‘Ongebruikelijk,’ zei de koopman, ‘vond een

boek in de kar. Hier, pak aan. Hou-vast.’ Verbaasd nam

Barend in ontvangst. Las titelbreed: Menschheids-

geschiedenis. Van Joshua tot Jizra.

‘Joshua niet bekend,’ zei Barend, ‘Jizra, ja, mijn broer!’

‘Ben jij Barend?,’ vroeg roestharige koopman.

Barend knikte eens. ‘Het boek eindigt met jouw naam.’

In de stilte verschoof in de kar een deksel

van een pan. De koopman weer: ‘Het laatste verhaal

van dit vertelt het over twee broers, de ontmoeting

op een heuvel.’ Barend bedankte. Zwaaide.

Zwijgend nakijken. De man schoof langzaam

over de rand. Avondrood bij volle maan.

*

Op zaterdag met het boek de heuvel over,

sabbatsreisvaardig, om te bebladeren. Zijn broer

verbaasd zijn naam buitenkantig te lezen. Ze

zaten, vroegen elkaar naar inhoud, boodschap,

raadsel, geheim misschien.

De ontdekking werd het openslaan, letters verdwenen,

langzaam, zeker, elk woord onleesbaar. Hoe sneller

het bladeren, brandend hun vragen, waar

antwoorden wie weet, hoe eerder de letters dansten,

aan het zicht onttrokken. Nee zo niet, zei Jizra. Dit

is een boek niet voor lezen. Heeft dus één

bedoeling, de inhoud wil òns. Nu nog

een keer.

*

Chagall reading

*

Te worden gelezen het voorwoord zoemde iets,

als een oud lampje langzaam opgloeiend.

Jizra en Barend keken in verbaasde elkaars ogen.

Het boek moest al op tafel gelegd, zodra

het openslaan werd het groter groeiend. Was

niet meer in handen te houden. Zo machtig.

Het voorwoord las: Dit boek beschrijft de geschiedenis

eigener gedachten. Ook de geschiedenis eigener taal. Niet

in verleden tijd, als toekomstverhaal. Niets is zeker.

Behoudens al het toekomstige. – Jizra en Barend barstten

hun lachen. Zo onbegrepen dit Altijd.

Voorin het boek een slordig-handgeschreven

bijbeltekst: ‘Sprak God door vaderen en profeten?

Nu door de Zoon.’ (brief voor Hebreeën, 1-1)

*

Barend las lezend het lezen als scannen van

eigen ziel: In het Hebreeuwse land was al te boek

gesteld wat Aristoteles in Athene Grieks wist te

vertellen dat niet alle oorzaken van het leven

dezelfde oorzaken zijn. Te-weeg-brengende

oorzaken (de ruit is stuk; een steen sterk) maar ook,

doel-oorzaken (rook ontsnapt, stijgt, de steen

luchtledig los valt). Alles bij leven eigen bedoeling.

Hoe is de roos? De roos is rood, bloeit, geurt. Of:

De roos is geel, geurt niet, en ach knopgebroken. Elke roos

is bijzonder, nooit algemeen. Zoveel waarheid er is.

Jizra glimlachte. Daar zit wel wat in.

*

chagall david, geit en vogel 1956

*

Hoofdstuk twee Barends en Jizra’s nieuwe hoofdstuk.

Opkrullende bladzijden, geen gladstrijken hielp,

verzegelend verhullend als een boekrol.

Stommelen tegen de muur. Leembrokkelen, traag

doeloorzakelijk naar beneden te weeg gebracht ook.

Deuropenstoten. Sik kwam binnen, paaltje slepend

aan een touw. Kop tegen Jizra’s schouder. Alsof

snoof hij tegen de gerolde bladzijden. En zie,

het papier legde zich, terug in het boek.

Verklaring na eeuwen, Leon Wieseltiers schrijven: Geef mij

geen goud. Geef mij geen zilver. Geef mij papier.

In vreemd spiegelschrift leest de

geschiedenis van de Laatste Mens. Jizra ontwaarde

woordelijk Messias. Barend spelde. Geheimzinnend.

*

Jizra sloeg het boek dicht, stond op.

Barend overpeinsde. Veranderd. Jizra, boos, zei:

Hout hakken en water bij de pomp halen, nu en

telkens. De innerlijke beschouwing gelaten.

Hetzelfde anders doen, niet andere dingen doen.

Loop naar de pomp met het boek. Vuur in de haard

zal het gaan opstoken. Tot de laatste snipper.

*

chagallDe%20val%20van%20de%20Engel

*

Het hout naar binnen, spaanders bleven liggen.

Ondoenlijk, ongewenst ook, het erf te schonen.

Tijd valt niet te verbeuzelen bij brand. Jizra

stookte het vuur, Barend bekeek laatst hun boek –

hun namen, op laatste bladzijde, Jizra broer van Barend.

En de waarheid in het midden van de woorden, gelijk

aan de middenwaarheid van het boek: Voeg de daad bij

het woord leraarde Benedictus duizend jaar.

De daad bij het woord, zei Jizra, meegelezen over zijn schouder.

*

Met woeste arm het boek gesmeten

in de heetgesmede haard.

Perkament vat begerig vlam. Het ploft tot as.

Snippertje van alles dwarrelt op de vloer. Vier streepjes

te zien: ||<. Codetaal. Barend begreep. Vier streepjes

en vier windstreken. Allesomvattende boodschap.

*

De vier streepjes hoofdgeletterd: IK. Zo duidelijk

alsof heel hun boek ongedeerd terugkwam uit vuur.

Snipperstreepjescode. Het hele verhaal stak in

elkaars ogen, zij lazen alle bladzijden

zojuist tot as geworden. Herinnerden de totale

geschiedenis. De papieren vellen toch telkens doorzichtig,

alle woorden als het ware ruggesteund,

tot aan de laatste bladzijde? Beseffen werd invullen

vanaf de punt van stoppen met lezen. Het vervolg stopvrij.

Te leren liplezen. In hun eigen taal. Petrarca de mens

alleen op een berg hij stond, keek rond, zei: hier sta IK.

Renaissance begonnen. Wederopstanding.

*

Chagall_orpheus

*

Wereldwijs blies Jizra alsnog het snippertje

in vuur en vlam. We hebben elkaar en de wereld

is één. Spreken hierover.

*

Fluisterspreken.

Eigen taal te spreken. Voor twee mensen

wel genoeg. Om te begrijpen, alles wat

begrepen zou kunnen worden.

*

Barend naar de deur, loste op in fel buitenlicht.

*

Die nacht konden beiden niet slapen.

Jizra: ik moet Barend achterna.

Barend: ik moet op mijn schreden terug.

Zij ontmoetten elkaar op de heuvel vanouds.

Twee broers, omhelsden elkaar zwijgend.

***