Archief van
Auteur: Blaise T.

De kat begint met spinnen en de filosoof komt met hersenspinsels…

De kat begint met spinnen en de filosoof komt met hersenspinsels…

bosrten6[trouw.nl] In het verleden is veel nagedacht over de verschillen tussen mensen en dieren. En één ervan is dat mensen kunnen spreken en dieren niet. Die verschillen bestaan in hoofdlijnen hieruit dat de mens een redelijk wezen is (homo sapiens) en ook vrij, omdat hij niet aan instincten is gebonden zoals het dier. Daaruit vloeien weer verdere verschillen voort. Omdat de mens rationeel is, heeft hij een taal als drager van gedachten. En omdat hij vrij is, heeft hij keuzes en is hij een moreel wezen.

Al die verschillen zeggen natuurlijk meer over de aanmatiging van de mens, die zich tot maat van alle dingen heeft gemaakt, dan over de veronderstelde tekorten van dieren. Als filosofen naar dieren kijken, bijvoorbeeld naar hun kat, gaat het volgens René ten Bos vaak fout: „de kat begint met spinnen en de filosoof komt met hersenspinsels.”

Misschien is het dier wel geniaal. Althans, dat is wat Ten Bos betoogt. Op het eerste gezicht vreemd want wij verbinden genialiteit met oorspronkelijkheid en scheppingskracht. Maar dan moeten we ons realiseren wat genialiteit oorspronkelijk betekent. Het woord is afgeleid van genius, een meerduidig begrip dat bij de Romeinen op een andere wijze verbonden was met oorspronkelijkheid: het oereigen zijn, de in de diepste natuur verborgen aard en eigenschappen van wie we eigenlijk zijn.

Dieren nu, slagen er beter in om bij zichzelf te blijven dan mensen. Ten Bos specificeert dit als het vermogen van dieren om op de achtergrond te blijven, niet op te vallen, onontdekt te blijven. Daarin zit hun eigenheid en genialiteit. Wij mensen hebben daar geen vrede mee…

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail
Pleidooi voor nieuwe revolutie

Pleidooi voor nieuwe revolutie

beminnen2
Gepubliceerd: april 2018. Klik op cover voor leesfragment.

Hoogleraar Publieksfilosofie Marli Huijer pleit in haar pamflet Beminnen – Nieuw licht op seksuele vrijheid voor een nieuwe seksuele revolutie.

[persbericht] Sinds de seksuele revolutie zijn er heel wat taboes doorbroken. Met de acceptatie van het homohuwelijk lijkt deze revolutie voltooid. Maar hebben we werkelijk aan vrijheid gewonnen? Of heeft de ideologie van de seksuele vrijheid ons opgezadeld met een dwang tot bekentenissen? Onophoudelijk vertellen we of we homo, hetero, poly-amoureus, happy single of monogaam zijn. Mensen en culturen die er anders over denken willen we bekeren tot onze vrijheid. Aandacht voor hoe we beminnen en of we er wel van genieten, is er nauwelijks. Filosoof Marli Huijer herleest Michel Foucaults Geschiedenis van de seksualiteit en vraagt zich af hoe te beminnen zonder je in een identiteit vast te leggen. Ze pleit voor een nieuwe seksuele revolutie. De Franse denker vond dat het accentueren van de seksuele gerichtheid de vrijheid niet vergroot, maar juist beperkt. In de bekentenis onderwerpen we ons aan tal van machtswerkingen.

Marli Huijer is als hoogleraar publieksfilosofie verbonden aan de Faculteit der Wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Van 2015 tot 2017 was ze Denker des Vaderlands.

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail
22 april 1724: geboortedag Immanuel Kant

22 april 1724: geboortedag Immanuel Kant

[bron: groene.nl]

Filosoof en Kant-liefhebber Thomas Nys over de Verlichtingsdenker uit Koningsbergen

 

♦ Volgens Nys is de verdienste van Kant dat hij de filosofie op z’n kop heeft gezet: ‘Hij heeft de betekenis van veel begrippen omgedraaid, op zo’n manier dat ze de waarheid adequater vatten dan het oorspronkelijke begrip. Het is moeilijk om van een fascinatie voor Kant af te komen. Ik ken weinig kantianen die van hun geloof zijn gevallen. Het wordt meestal alleen maar heviger! Ik hoop dat ik mezelf daar enigszins voor kan behoeden.

(..) In Kritik der reinen Vernunft stelt Kant de vraag: “Hoe is kennis mogelijk?” Vóór hem werd die vraag zo opgevat: “Hoe kunnen wij ons verstand afstemmen op de werkelijkheid?” Voor rationalisten, die dachten dat kennis uit de rede kwam, was dat een enorm probleem: ik kan wel dingen zeker weten in mijn geest, maar hoe weet ik dat de werkelijkheid daarbuiten daar ook mee correspondeert? Daar had Descartes nog God voor nodig. Empiristen dachten juist dat kennis van buiten kwam, door de ervaringen. Maar dan is het probleem dat we nooit algemeen geldige uitspraken zouden kunnen doen. Het beroemde biljartballenvoorbeeld van Hume illustreert dit: ik zie biljartbal A naar biljartbal B rollen, en daarna rolt bal B weg. Maar ik kan niet concluderen dat de botsing van A het rollen van B veroorzaakt. Veroorzaking zit niet in de ervaring.

Kant beantwoordt de vraag “hoe is kennis mogelijk” door het hele idee om te draaien. Net als Copernicus, die stelde dat niet de zon om de aarde maar de aarde om de zon draait. Zo zei Kant: we richten ons verstand niet naar de werkelijkheid, de werkelijkheid richt zich naar ons verstand. Daarmee bedoelt hij dat wij een bepaalde structuur opleggen aan de werkelijkheid, die er dus niet als zodanig, in zichzelf in zit. Die structuur maakt deel uit van ons kenapparaat. Wij kunnen de werkelijkheid niet anders zien dan gestructureerd door oorzaak en gevolg. Of gestructureerd in ruimte en tijd. Ruimte en tijd zitten niet daarbuiten, maar hierbinnen, en alle dingen die wij waarnemen hebben die structuur. Dat stelt ons in staat om algemeen geldige uitspraken te doen, tussen ons mensen, want we hebben allemaal de rede en ervaren daardoor op dezelfde manier. Hiermee doorbrak Kant de patstelling waarin het denken over kennis was geraakt.

(..) [Kant] maakt een onderscheid tussen de privé-ruimte en de publieke ruimte. In het privé-bereik ga je allerlei verplichtingen aan: als je een baan aanneemt, neem je allerlei verplichtingen op je en die kun je niet zomaar overboord gooien. Maar in de publieke ruimte kun je argumenteren, het woord nemen, misstanden aan de kaak stellen. Je moet een publiek proberen te overtuigen, en om dat te doen moet je particuliere belangen achter je laten. Je moet zeggen dat het sowieso een slecht idee is om iets te doen, niet omdat jij het zo vervelend vindt. Dat heeft te maken met de Categorische Imperatief. Als je vindt dat er iets mis is, dan moet er ook iets mis mee zijn voor allen.’

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail
Openbare rechtszitting

Openbare rechtszitting

petersl
Gepubliceerd: maart 2018

[leesfragment]

Het antropoceen – een proces-toestand in de marge van de aardgeschiedenis?

Toen de Nederlandse atmosfeerchemicus Paul J. Crutzen in het jaar 2000 de uitdrukking ‘antropoceen’ opperde, en daarmee een analoog concept van de Italiaanse geoloog Antonio Stoppani (1824-1891) uit 1873 opnam om het huidige tijdperk vanuit natuurhistorisch oogpunt te typeren, kon je er nog gevoeglijk van uitgaan dat de term deel zou blijven van een hermetisch vertoog, dat achter de gesloten deuren van instituten voor gasanalyse of geofysica wordt gesproken.
Door een onbekende reeks toevalligheden moet het synthetische semantische virus er echter in geslaagd zijn de goed geïsoleerde deuren van de laboratoria te passeren en zich in de algemene leefwereld te verspreiden – waarbij je de indruk krijgt dat het zich in de context van populairwetenschappelijke tijdschriften, van het museale wereldje, van de macrosociologie, van nieuwe religieuze stromingen en alarmistische ecologische literatuur bijzonder gemakkelijk reproduceert.
De proliferatie van dit begrip is waarschijnlijk vooral te herleiden tot het feit dat het onder het mom van wetenschappelijke neutraliteit een boodschap overbrengt van bijna niet te overtreffen moreel-politieke urgentie, een boodschap die in expliciete taal luidt: sinds de aanwezigheid van de mens op aarde niet langer de vorm aanneemt van een meer of minder spoorloze integratie, is hij voor de bewoning en het beheer van de aarde als geheel verantwoordelijk geworden.
Het ogenschijnlijk geologisch relevante begrip ‘antropoceen’ behelst een geste die men in juridische contexten als de benoeming van een verantwoordelijk agentschap zou aanmerken. Met het toeschrijven van verantwoordelijkheid kunnen mogelijke aanklachten geadresseerd worden. Juist daarmee hebben we tegenwoordig te maken, als we aan ‘de mens’ – zonder nadere bepaling – het vermogen tot daderschap in geo-historische dimensies toeschrijven.
Als we ‘antropoceen’ zeggen, zitten we slechts schijnbaar in een geo-wetenschappelijk seminar. In werkelijkheid nemen we deel aan een rechtszitting – om preciezer te zijn aan een voorbereidende hoorzitting vóór de openbare rechtszitting, waarin eerst opheldering moet worden verkregen over de toerekeningsvatbaarheid van de aangeklaagde.
In deze voorbereidende hoorzitting gaat het om de vraag of het met het oog op de minderjarigheid van de vermeende dader eigenlijk wel zinvol is een proces tegen hem aan te spannen. In zulke hoorzittingen zou je onder anderen de auteur Stanislaw Lem als getuige kunnen oproepen, die ‘de mens’ lijkt vrij te pleiten door hem in een tellurische context de status van een quantité négligeable toe te schrijven; in Lems eigen woorden:

Zou je (…) de hele mensheid bijeenbrengen en op één plek samenpersen, dan zou ze een ruimte innemen van driehonderd miljard liter, dus net geen derde van een kubieke kilometer. Dat lijkt heel wat. Maar de wereldzeeën bevatten één miljard tweehonderdvijfentachtig miljoen kubieke kilometer water. Zou je dus de hele mensheid, deze vijf miljard mensenlichamen, in de oceaan dumpen, dan zou de zeespiegel niet eens een honderdste millimeter stijgen. Met deze lichte deining zou de aarde eens en voor al van mensen verlaten zijn.

Bij dit soort kwantitatieve verhoudingen speelt het geen rol als we voor de door Lem aangenomen vijf miljard mensen het thans bereikte aantal van zeven miljard invullen, of zelfs de acht of negen miljard die na het jaar 2050 bereikt zal zijn. Onder het aspect van biomassa zal ook een zich willekeurig snel vermenigvuldigende mensheid een minieme grootheid blijven – als je de mensheid toto genere in de oceaan zou kunnen dumpen. Dus waarom een proces voeren tegen een soort die in verhouding tot de materiële hoofdmassa van het Gaiasysteem, het wereld-water, bijna niets voorstelt? Lems positie ligt overigens heel dicht bij andere klassiekers die de mens met geringschatting bejegenen – denk aan Schopenhauers honende opmerking over het mensenras als vluchtige schimmel op het oppervlak van planeet aarde.
Tegen dit soort bezwaren zal de aanklager inbrengen dat de geaggregeerde mensheid op haar huidige evolutiestadium geenszins louter als biomassa bestaat. Als ze op de beklaagdenbank plaats moet nemen, dan vooral omdat ze een metabiologisch agentschap belichaamt, dat krachtens zijn handelingsbekwaamheid veel en veel meer invloed op het milieu kan uitoefenen dan zijn relatieve fysische gewichtloosheid doet vermoeden.
Uiteraard denk je in dit verband meteen aan moderne technische revoluties en de bijwerkingen daarvan, die niet zonder reden op het conto worden geschreven van het menselijk collectief. In feite spreekt men hierbij in eerste instantie alleen over de Europese beschaving en haar technocratische elite. Het is die laatste die vanaf de zeventiende en achttiende eeuw door het gebruik van steenkool en later aardolie in alle mogelijke krachtwerktuigen een nieuwe actor introduceerde in het spel van globale krachten. Bovendien hebben de ontdekking en beschrijving van de elektriciteit vlak voor 1800 en haar technische beteugeling in de negentiende eeuw een nieuwe universale in het vertoog over energie ingevoerd, zonder welke we ons de stofwisseling van de mens met de natuur – om aan Marx’ definitie van de ‘arbeid’ te herinneren – niet meer kunnen voorstellen. Het collectief dat vandaag de dag met uitdrukkingen als ‘mensheid’ wordt gekarakteriseerd, bestaat in hoofdzaak uit actoren die zich binnen minder dan honderd jaar de in Europa ontwikkelde technieken eigen hebben gemaakt. Als Crutzen over ‘antropoceen’ spreekt, hebben we van doen met een geste van Nederlandse hoffelijkheid – of conflictvermijding. Het zou eigenlijk passender zijn over een ‘Euroceen’ of een door Europeanen geïnitieerd ‘technoceen’ te spreken.
Dat menselijke actoren een uitwerking hebben op de natuur is geen volstrekt nieuwe constatering. Al in de oudheid signaleerde men in Griekenland en Italië ontbossingen, die tot de behoefte aan hout voor de scheepsbouw te herleiden waren. Ook is het ontstaan van het Europese cultuurlandschap zonder de invloed van akkerbouw, wijnbouw en veeteelt ondenkbaar. Vooral die laatste is tot op heden een explosieve post gebleven op de rekening die het ecosysteem ‘aarde’ de mens zal presenteren. Pas recentelijk heeft men het verband tussen menselijke pastorale macht en politiek expansionisme onderzocht. Er bestaat kennelijk een macro-historisch gezien relatief jong, dat wil zeggen een circa drieduizend jaar omspannend oorzakelijk verband tussen runderteelt en rijkspolitiek: een groot aantal historische imperia – zoals dat van de Romeinen, van de Britten, van de Habsburgers en van de Amerikanen – berustten uiteindelijk op het cultiveren van grote kuddes vee, die de veehouders een belangrijk overschot aan arbeidskracht, mobiliteit, proteïne en leer opleverden, nog afgezien van het verband tussen verzekerde alledaagse calorieëntoevoer en politiek expansionisme. Sinds kort weten we ook dat kuddes runderen op grond van hun metabolische functies een noemenswaardige invloed uitoefenen op het milieu.
Er moeten op dit moment circa anderhalf miljard koeien zijn op aarde – zou je die allemaal in de oceaan dumpen, dan zou de zeespiegelstijging ongeveer vijf keer zo groot zijn als die welke uit het dumpen van de mensheid zou resulteren. Je zou in elk geval in de dimensie van tienden van millimeters terechtkomen en toch het domein van de quasi-gewichtloosheid nog altijd niet verlaten.
Niettemin is de indirecte antropogene milieubelasting door veeteelt imposant: elke door mensen gehouden koe produceert in een driejarig leven door spijsverteringsflatulentie een hoeveelheid broeikasgassen die overeenkomt met een rit van 90.000 kilometer met een middenklasse motor.
Met de verwijzing naar de menselijke pastorale macht in de actuele dimensies van haar uitoefening verlaten we het domein van de te verwaarlozen grootheden. Als producent van enorme indirecte emissies komt de ‘mensheid’ van het industriële tijdperk, ongeacht haar gewichtloosheid als biomassa, mogelijk inderdaad een geologisch relevante rol toe – namelijk in haar hoedanigheid van uitbater van enorme wagenparken en vloten vliegtuigen en schepen die worden aangedreven door verbrandingsmotoren, maar ook met het oog op hun warmtehuishouding in aardse contreien waar strenge winters aanleiding geven tot pyrotechnisch en architectonisch compenserende maatregelen. Het proces over het ‘antropoceen’ kan tot de openbare rechtszitting worden toegelaten.

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail
Het leven van Hroswithus Wikalensis, wereldreiziger en geleerde

Het leven van Hroswithus Wikalensis, wereldreiziger en geleerde

aken
Negende druk, 2014

[bron: leesclubvanalles.nl] Jan van Aken ‘heeft iets’ met Arabieren, of liever: met de Arabische klassieken. En niet alleen de Arabische trouwens. Voor de lezer die een beetje thuis is in de Middeleeuwse geesteswetenschappen, de klassieke wijsbegeerte, de Koran en die goeie ouwe Bijbel, kan met het lezen van ‘De valse dageraad’ een feest der herkenning beginnen.

Ook voor wie niet thuis is in de klassieken valt er een hoop te genieten: het verhaal leest als een spannende schelmenroman, en voortdurend moet de neiging om snel even vooruit te bladeren bedwongen worden. Geregeld wordt de lezer verrast met vondsten die een glimlach van herkenning of bewondering afdwingen.

aken3Jan van Aken roept in ‘De valse dageraad’ een wereld tot leven van keizers, schavuiten, bedriegers, pausen, dichters, zuiplappen, christenen, koningen, machtswellustelingen, purpergeborenen, slaven, mohammedanen, heiligen, vikingen, paleiswachten, ijzersmeden, krijgers, boetelingen, bisschoppen, monniken en novicen.

De titel verwijst naar een natuurfenomeen dat al in de zevende eeuw bij de moslims bekendstond als Dhanab al-Sirhan, of ‘(grijze) wolvestaart’: het allereerste gloren van de dag, de luttele momenten waarop het zonlicht zich als een verticale streep door het nachtelijk floers perst. Deze valse dageraad ging vooraf aan de ware dageraad, en pas dan werd het tijdstip van gebed en onthouding vanaf de minaretten verkondigd.

aken2
Jan van Aken
Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail
Drie vragen

Drie vragen

eco2
Essaybundel

De vraag waarom we een kat als zodanig herkennen, is een ingewikkelde filosofische kwestie. Ook de vraag waarom we zijn overeengekomen een kat de naam ‘kat’ toe te kennen, is op zichzelf al een heel interessant probleem. Op het snijvlak van deze twee vragen rijst echter een derde vraag, die de gehele loop van de moderne filosofie karakteriseert. De vraag, namelijk, of onze perceptie van dingen afhankelijk is van de structuur van ons cognitieve apparaat, van de structuur van ons linguïstische apparaat, of van beide.

Om tot een antwoord te komen op deze vragen kiest Umberto Eco niet voor een systematische behandeling, maar gaat hij zelf op onderzoek uit, gebruikmakend van het gezond verstand. Deze originele benadering leidt tot ‘verhalen’ of apologieën die, zoals zovele apologieën, dieren als hoofdpersoon hebben.

Het vogelbekdier lijkt ervoor geschapen om een heleboel kennistheorieën te ondergraven.

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail