voorpublicatie webeditie
© 2016 Blaise Tolky

Voor mijn muze
Bent u het die mij een ander soort dromen toestuurt?
Andreas Burnier

Zomer 1916

 

Haar lachen: op deze avond bevrijding van innerlijk samenballende onrust. Het gezicht mooi verlicht, de ogen gericht op een punt ver achter zijn rug, zij ziet het hollen van de oude man op het perron, hij trekt een grimas naar haar, in zijn haast stelt hij haar gerust, wordt het missen, toch niet voor altijd, een nieuwe kans gekregen bij de volgende die voorkomt. Zij ziet hem verdwijnen in het gat van de trap en langzaam wil zij knikken. De man voor haar, aanraakbaar dichtbij bekijkt haar gezicht, raadt wat haar ogen zien, vraagt wat het is, waarom, welke vrolijkheid dan nu, is de tijd niet een van oorlog.
Haar ogen terug bij hem, zij zegt oud en haastig en zo ijverig die man, zijn hollen bijna struikelen maar vrolijk, een onbekende en lief voor mij. Zijn ogen beantwoorden haar blik, een glimmen voorlopig. Morgen zegt hij zullen anderen op deze plek staan en kunnen zien wat jij ziet, maar eerder was er niemand hier, jij zette deze gebeurtenis in gang. Haar ogen dwalen naar binnen, zien de oude man terug op de trap, voorzichtig stapt hij hoger en hoger, nu wacht hij, kijkt om, ziet haar verleden. Hij is een voorvader, een strijder, heldhaftig geeft hij niet op, angst kent hij niet, de paniek bevreemdt hem.
De reizigers klampen zich vast aan ergens de bestemming, radeloos turen vanaf hier.
Ook zij, op dit perron, op afstand van de veteraan, wil weten welk spoor te volgen. Haar handen tasten langs een jas, een gezicht, gaan gedachteloos gestuurd door dik haar, rusten op schouders. Zij trekt zich op, staat als een acrobaat in balans op het smalle koord van haar liefde. Te willen dansen, minimaal, haar voeten schuiven bij hem vandaan, de man tegenover, de ogen, de mond, het hoofd, de schouders, zij verglijdt in het luchtledige, droomt haar verte en glimlacht, verrast de oude man, zij tilt hem onder de arm, zeult zijn koffer langszij, en die bonkt tegen de rand, knalt open, kiepert leeg. Mijn leven zegt hij tegen haar. De inhoud zegt zij. De wanorde (hij), de chaos (zij).
Haar blik dwaalt verder, komt van binnen naar dit buiten. Zij kust haar man. Ze zegt dag ik zal nu gaan. Ik neem zijn koffer, zo leeg voor mij, zijn leven liet hij voor mij achter, zijn komen, zijn gaan. Nog een kus.

*

voorpublicatie webeditie ♦ 5
De reis, een verslag, het beschrijft het veranderen van dezelfde dingen, tekent de verkleuring op gezichten, het verschieten van huid, neemt wit tot rood, maakt het donkerbruin tot de tint van slappe thee. – Jij schetst op dit grote papier, hebt het plein tot je domein. De voorbijganger voor de duur van even pantomime houdt zich gevangen, in momenten van opperste concentratie valt iemand dood in jouw handen. En als amoureus portrettekenaar heb je de eigen reputatie verworven, kun jij wel helemaal zonder decorum. Het vuil in je jas maakt je tot grijsbruine beer, het rood van de wollen pet groezelt.
Genoeg voor vandaag: het aluminium zitje opgeklapt, het papier gerold, het tekengerei in je wijde broek, een broek met zakken tot op je laarzen. Maar dan. Daar is hij. Een jongen, een man? Ik zag je kunst, hoe je deed met kleur, het vegen, de snelle schets, je potlood zwevend, zou je mij, zou je ook mij. Je wilt niet antwoorden, je kijkt aan hem voorbij, je houdt je doof voor zijn woorden, je loopt al, weg van daar. Hij volgt als een hond, draaft, probeert, zou je, alleen nog mij, betaal je dubbel. Hij komt nu langszij, hij wijst naar zijn gezicht, kijkt vragend, gebaart tekensignalen. Nee zeg je, jou niet, jij bent te mooi, teveel mens, hoe oud, hoe jong. Hij huilt hij zegt ik ben die van die, schrijf jij mijn naam, tel mijn leeftijd na, maak mijn gezicht tot jouw spiegel, haal de lijnen over tot bij jou.
Niet verbaasd neem je plaats, ontrold papier overdekt de aardegrond precies in het middelpunt, de wereld draait rond, je likt je kleuren, je vuile hand beweegt al. Jij zeg je, jij had een broer, hij werd vermist, verloor alles uit het oog, ontliep iedereen, hij maakte jou gek, lieve jongen, ik weet niet wie hij was, zo ben ik niet, maar ik teken jou, jij moet een gezicht, jij moet kunnen zien, weet je wat ik zie, ik zie een broer in jou, ik zie de broer van je broer, ik zie, ik teken jouw ogen, zo radeloos, zo dichtgeslagen, hij deed wat hij zonder jou niet mocht, hij vertrok, hij liet je achter bij een zieke moeder, een dronken vader en je werd alleen, een jongen, nooit een man, en nu loop je hier en je wilt dat ik want hij en jij, wie had je nog, heb je niet meer. Kijk hier jouw portret.
*
Zij windt een grijze lok om een vinger, kijkt hoe hij aarzelt. Zijn vragen hebben betrekking op het bericht in de brief die zich aankondigde met het kleppen van de bus bij morgenlicht. Verkeerd geadresseerd – hoewel, zijn naam correct gespeld maar het woonnummer foutief -, gleed het papier wie weet hoe verlaat binnen. Zoiets is een boodschap op zich, de omweg, de aarzeling van de tijd.

 

voorpublicatie webeditie ♦ 6
Hij opent, aarzelt ook, herleest, vraagt welke schrijver bedoelt de schrijver. Lees even hardop zegt zij op droomtoon. Bedoel dus dit zegt hij, hier staat: en om die reden is dat boek zonder schrijver, het bezigt jouw naam, en geloof me, zelfs jouw geschiedenis, maar het handschrift is onleesbaar, het is zo minuscuul dat de schrijver een schrijver moet kennen die in de kleinste letters het verhaal zou kunnen doen, kunnen schrijven, boven- of ondermenselijk, god- of duivelgelijk.
Heb jij een vermoeden? Iets waarvan je zegt ja kijk als het zo is en het waar is… Laat nu maar zegt zij, is er nog wijn van gisteren, morgen weet niemand iets van boek of brief. – Maar kijk dan toch, dit papier, het fijne handschrift van een man, een dokter-iemand, zo een met chirurgische precisie, hier is iemand aan het woord die jou ontleedt tot op je gave bot. – Weet je dat wel zeker? – Ja hier lees zelf nog eens! – Ik bedoel het gave bot. Hij aarzelt nog. Denk jij dat het boek geschreven door iemand, door niemand, jou vertelt, ik bedoel jou en mij vertelt, ik bedoel dat het vertelt dat het ons vertelt, ik bedoel…
– Laat nu toch! De waarheid is al sinds mensenheugenis geschreven. DIE BRIEF IS VOOR JOU, LEES MIJ NU IN GROTE LETTER, NEEM HET LETTERLIJK WAT IK JE ZEG, LEES WAT JE ZIET.
En hij las.

 

I

De dreiging een gevoel, de vreemde angst, hartkloppen, in deze nacht kan alles gebeuren. Ik brand een kaars, ontvlamde een lucifer. Rook kringelt weg, laat eigen stilte na. Ook ik ben een mens, mij van mijn geschiedenis bewust. Tot hier kwam ik, tot deze tafel, deze stoel, tot deze gedachten. Ik heb hem een toekomst toegeschreven, mijn woorden bukten zich, de zwarte hemel drukte. Het was precies zo’n nacht, de sterrenwereld spande het netwerk, de verbinding zou totaal zijn. Een vlucht met vele risico’s. De autoriteiten gaven geen pardon af. Wie zich een eigen toekomst schept, op papier vastgelegd of ongeschreven, kan niet rekenen op enig begrip of medelijden. Zoals het eigen lot is gewild, zal de beloning zijn – een mooi resultaat of de zware straf.
Weggestuurd keek ik hem na. Een uur had hij nodig, zo wist hij mij te overtuigen. Dan terug zou hij aanbellen.
Hij kwam niet terug. Niet meer. Nooit.
In het licht van de kaars kijk ik naar een foto, zo jeugdig, de onschuldige lach, zich nog van geen kwaad bewust. Door het raam zie ik het donker van de nacht. Ik mis hem zo. Zijn plannen, zijn dromen. Hij noemde zich een utopist. Verwachtte het goede op elk moment te kunnen omarmen, eu-topia, en wist het eerste moment uitgesteld, ou-topia. Ik geef het jou zei ik, je utopie, dat eerste moment van volmaakt geluk. Je zult het kennen, vertrouw mij, laat liefde je leiden. Zo is hij gegaan. Hij, met zijn routekaart op zak. Hij moest alleen zei hij. Wacht ik op jou zei ik. Hij verdween in het donker.
Deze nacht is dezelfde nacht, en ik wacht, wacht nog steeds. Ik weet als hij gevonden heeft, komt hij terug. Hij zal mij omarmen, onherkenbaar veranderd, natuurlijk, wie intens leeft, per elke minuut een extra seconde, ondergaat een metamorfose. Hij zal uit alle tijd die hij spaarde een ruimte scheppen, een voor twee. In zijn ogen zal ik kunnen lezen hoe het nieuwe verhaal begint, uit zijn mond zal ik vernemen waar de grensovergang veilig is. Onze toekomst zal aan de horizon gloren, in het groen van lente, in vrolijkste zomerkleuren, het zwart van de nacht zal niet verdwijnen, het diepste zwart geen donkere onbestemdheid, zaligste tevredenheid, met wit doorschoten.
De stilte van deze nacht, een voetstap, tot onder het raam. Iemand luistert naar het kloppen, dit kloppende kloppen van mijn hart aan de binnenkant. Ik zie een hand op de buitenkant, mijn vingers omklemmen mijn borst. Een hand op mijn hand, een linkerhand die een rechterhand omvat. Tijd voor Utopia denk ik. Tijd voor hem.
Tijd voor hen. De nacht vol pijn, geluk.