Archief van
Maand: januari 2019

Hoe red je de wereld als jongen van acht?

Hoe red je de wereld als jongen van acht?

eekhout

Op 15 januari 2019 verschijnt van Anne Eekhout (1981, Hilversum) ‘Nicolas en de verdwijning van de wereld’.

In 2014 verscheen haar debuutroman ‘Dogma’. Deze roman werd genomineerd voor de Bronzen Uil en kwam op de longlist van de AKO-literatuurprijs.

Begin 2016 verscheen ‘Op een nacht’, die werd genomineerd voor de BNG Bank Literatuurprijs.

‘Dit boek slokt je volledig op om je pas weer uit te spugen wanneer je het uit hebt: verbijsterd, en voor altijd veranderd. Groots en subtiel tegelijk, even teder als gedurfd: Nicolas en de verdwijning van de wereld is Nederlandstalige literatuur zoals je die zelden leest, en Anne Eekhout is een van de interessantste jonge schrijvers van dit moment.’ – Hanna Bervoets

Volgens bol.com is ‘Nicolas en de verdwijning van de wereld’, de apocalyptische, derde roman van Anne Eekhout, hét boek om naar uit te kijken deze maand.

[fragment] Met de oliezwarte veer die ik op straat vond kriebel ik over de binnenkant van mijn arm. Een rilling tot aan mijn kaken. Soms denk ik nog aan het kistje onder mijn bed, terwijl het al lang geleden is. Er zijn leuke en minder leuke herinneringen, dat weet iedereen. Je moet niet denken aan de slechte herinneringen, zegt mama. Ik weet alleen niet bij welk soort herinneringen het kistje hoort. De veer tekent bobbeltjes op mijn arm. Kippenvel. Vogelvel.
Mama wil haar glas van tafel pakken, maar ze blijft ondertussen kijken naar haar soap. Ze grijpt mis. Ze kijkt even, pakt dan het glas. Ze kijkt weer naar de tv terwijl ze een lange pluk haar om haar vinger draait. Haar buik is nu zo groot dat ik bijna niet kan geloven dat er maar één baby in zit. Hoe zou het zijn als er een hele rij babybroertjes uit haar buik zou komen? Waar zouden die allemaal gaan slapen? Ons appartement is eigenlijk al een beetje te klein voor ons drieën. De baby moet op de kamer van papa en mama en als hij daar te groot voor is zullen we wel weer zien. Mijn kamer ligt aan de andere kant van de gang en soms als ik eraan denk dat ik daar dan alleen moet liggen, en zij met zijn drieën bij elkaar zijn, wordt de lucht om mij heen zwaar om in te ademen. Daar helpt niks tegen, dat moet langzaam overgaan.
Ik voel tussen het kussen en de bank tot ik mijn stripboek heb. Het is De Adelaar 3: Het Huis der Ritivaren. Ik heb hem al tien keer gelezen. De Adelaar was een gewone man, maar nu kan hij vliegen en hij redt mensen. Zijn grootste rivaal is de Opperste, een tovenaarachtige wetenschapper die in dit boek nog niet voorkomt, maar zijn minions wel, dat zijn de Ritivaren: enge vliegende honden die een waanzinnig gekrijs uitstoten en de Adelaar in stukken proberen te scheuren met hun klauwen. Maar de Adelaar heeft zijn bek. Zijn hele scherpe snavelbek. En hij pikt ze stuk voor stuk in hun nek en hun poten en hun ogen tot ze wegvluchten. Ik heb De Adelaars van papa gekregen, in de tijd dat ik al die gesprekken had bij Mascha. Mama vond dat onbegrijpelijk en wilde ze eerst opbergen, maar ik moest zo huilen en ik kon niet meer eten en toen kreeg ik ze weer terug. Nu zucht ze alleen maar als ze mij erin ziet lezen. Ik droom vaak dat ik kan vliegen, net als de Adelaar. Er is dan iets vreselijks aan de hand. De school staat in brand. Of er is een grote overstroming en mensen verdrinken. Of er loopt een moordenaar rond met een bijl (zoals in The Shining, die ik per ongeluk zag toen papa nachtdienst had en mama weg was). In die dromen moet ik kiezen of ik anderen red of vlucht. Maar ik word altijd wakker voor ik gekozen heb. Het vliegen voelt zo logisch, en zo van mij, dat ik bijna zeker weet dat ik het in het echt moet kunnen. Er zijn mensen die nooit dromen dat ze vliegen. Die dromen denk ik niet van moordenaars.

Buiten is het al donker, maar de gordijnen zijn nog open. Mama doet ze het liefst nooit dicht. Ik wel. ’s Avonds is het net een enorm oog dat naar binnen staart. Ik kom van de bank en loop over de ruwe plankenvloer naar het raam. Papa gaat de vloer schuren en lakken. Tot die tijd moet je eigenlijk schoenen aan in huis omdat je anders splinters krijgt. Mama heeft altijd haar schoenen aan. Vroeger had ze hoge schoenen met een ritsje. Maar sinds ze zwanger is doet ze alleen nog gympen aan. Ik wil geen schoenen aan in huis. Ik wil niet doen alsof ik de hele tijd weg moet.
De lantaarnpalen zijn nog niet aan, maar je kunt de straat toch goed zien omdat alle winkels uithangborden met verlichting hebben. We wonen in een drukke straat en papa en mama willen liever ergens anders wonen, maar ik vind het leuk dat er de hele tijd dingen gebeuren. Vorige week ging ’s nachts het alarm af bij de Turkse bakker en toen de politie kwam bleek het gewoon een hond die heel vaak tegen het raam op was gesprongen omdat hij binnen in de bakkerij muizen zag. Als je bijna bij school bent kom je langs Electronites, dat vroeger Elektronica Van Dam heette, en daar was een keer een ruit ingeslagen. Onder ons zit de fietsenmaker. Hij heet Dave. Dave is een schooier, zegt papa. Een keer zijn papa en Dave zo boos op elkaar geworden dat ik dacht dat ze zouden gaan vechten. Papa zegt dat beschaafde mensen niet vechten, maar ik denk dat als mama niet naar buiten was gekomen, het toch gebeurd was. (Dat zei ik niet tegen papa.) Precies tegenover ons zit het kruidenwinkeltje van mevrouw Sun waar Joachim en ik iets lekkers krijgen als we helpen met sorteren. Mama vindt mevrouw Sun kortaf, maar ze koopt er ook nooit iets. Boven de winkel van mevrouw Sun woont Katja. Ze is mooi en grappig en altijd als ze me ziet veegt ze het haar uit mijn ogen. Ze heeft vaak een zilveren kettinkje om met een duifje eraan die piepkleine groenglinsterende steentjesogen heeft. Die heeft ze van haar moeder en daarvoor was hij van haar oma. Toen ik nog klein was en Katja op me paste, mocht ik hem soms om. Ik denk dat ze niet thuis is. Het licht is uit. De hemel is precies het soort donker waarin je vreemde dingen in de lucht boven de daken kunt zien. Dat komt omdat het blauw bezig is zwart te worden en vergeet te doen alsof sommige dingen niet bestaan.
Ik trek de gordijnen dicht en nu zijn we weer met z’n tweeën. Op tv zitten Jess en Ryan in een restaurant. Mama neemt een slok thee. Dan stopt de soap midden in een zin en komt er een plaatje van twee leeuwen in beeld. Er staat: ministerie van Algemene Zaken.
‘Wat krijgen we nou.’ Mama schuift naar voren op de bank, haar buik leunt op haar bovenbenen. Haar haar schuift als een slap doek voor de zijkant van haar gezicht.
Een mevrouw komt in beeld. ‘Wie is dat?’ vraag ik.
‘Ssst,’ zegt mama. ‘Marjon Roelants. De premier.’
‘Beste mensen,’ zegt Marjon Roelants. Dan is het stil. ‘Wat is dit nou?’ Mama pakt de afstandsbediening.
‘Ik onderbreek de uitzending voor een belangrijke boodschap. Vanmiddag heeft ons het bericht bereikt dat er een supermassive black hole, de Nederlandse term is: superzwaar zwart gat, onderweg is naar ons zonnestelsel.’ Marjon Roelants mond is een rechte streep. Mama heeft haar ogen wijd open. Als ze slikt maakt haar adamsappel een sprong. ‘Het zwarte gat heeft een enorme massa en reist met een snelheid van rond de tweehonderd kilometer per seconde. Volgens sommige onderzoekers is de kans reëel dat het zwarte gat de kant van de aarde op komt. Andere onderzoekers weerspreken dit en zeggen dat er overhaast conclusies zijn getrokken.’ Ik voel mama’s hand op mijn been. Ze blijft naar het scherm kijken. Mijn tong plakt aan mijn gehemelte. ‘De European Space Agency en de nasa hebben verklaard samen te werken aan een grondige analyse van de onderzoeksresultaten. Zodra er meer nieuws is, hoort u dit. Tot die tijd wil ik u op het hart drukken niet in paniek te raken en gewoon te blijven doen wat u altijd doet. Ik wil benadrukken dat niets zeker is en dat we alles zullen doen wat in ons vermogen ligt om ieders veiligheid te waarborgen, als de situatie daarom vraagt. Meer informatie volgt spoedig. Ik dank u wel voor uw aandacht en ik wens u een goede avond.’

eekhout2
Anne Eekhout

 

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail
Wat te doen met het joodse personage Shylock?

Wat te doen met het joodse personage Shylock?

jacobson2
Bestsellerauteur Howard Jacobson heeft ‘De koopman van Venetië’ van Shakespeare herschreven

‘Dit is voor iedereen het meest verontrustende Shakespeare-stuk, maar voor een schrijver die toevallig ook joods is, tevens de moeilijkste uitdaging.’

 

[Fragment]

Het is zo’n februaridag in het noorden van Engeland waarop je beter dood dan levend kunt zijn; de ruimte tussen land en lucht is slechts een brievenbus van opeengeperst licht, de lucht zelf onvoorstelbaar alledaags. Een toneel ongeschikt voor een tragedie, zelfs hier, waar de doden er rustig bij liggen. Er zijn twee mannen op de begraafplaats, ze houden zich bezig met de verplichtingen van het hart. Ze kijken niet op. In deze contreien moet je de strijd aanbinden met het weer om niet in een klucht verzeild te raken.
De tekenen van precies zo’n strijd staan op het gezicht van de eerste rouwdrager geëtst, een man van middelbare leeftijd met een onzekere houding, die soms met een verwaand opgeheven hoofd loopt, maar dan weer gebogen gaat alsof hij hoopt dat niemand hem ziet. Ook zijn mond is nerveus en misleidend; zijn lippen vertrekken het ene moment tot een spotlach en vallen het andere moment zacht open, zo kwetsbaar als zomerfruit. Het is Simon Strulovitsj, een rijke, razende, gemakkelijk gekrenkte filantroop met interesses die snel opvlammen en snel bekoelen, een befaamde verzameling twintigste-eeuwse Brits-Joodse kunst en oude bijbels, een passie voor Shakespeare (wiens genialiteit en avontuurlijke Sefardische uiterlijk hij ooit alleen meende te kunnen verklaren uit een naamsverandering van de voorouders van de toneelschrijver, de Shapiro’s, maar daar is hij tegenwoordig niet meer van overtuigd), eredoctoraten van de universiteiten van Londen, Manchester en Tel Aviv (van dat van Tel Aviv is hij tegenwoordig ook niet meer zo overtuigd), en een dochter die dreigt te ontsporen. Hij is hier om de zerk te inspecteren die kortgeleden aan het hoofdeinde van het graf van zijn moeder is opgericht toen de rouwperiode van twaalf maanden was verstreken. Hij heeft in die periode niet plichtsgetrouw om haar gerouwd – hij was te druk met kunst kopen en uitlenen, te druk met zijn stichtingen en schenkingen, of zijn ‘weldaden’ zoals zijn moeder het met een mengeling van trots en bezorgdheid meestal noemde (ze wilde niet dat hij zich met al dat geld schenken uit de naad zou werken), te druk met in gedachten rekeningen vereffenen, en te druk met zijn dochter – maar hij is voornemens om dat goed te maken. Het is nooit te laat om een betere zoon te worden.
Of een betere vader. Is het mogelijk dat het eigenlijk zijn dochter is die hij op het punt staat te betreuren? Zoiets zit in de familie. Zijn vader had ook korte tijd om hem gerouwd. ‘Voor mij ben je dood!’ En waarom? Om het geloof van zijn bruid. Toch was zijn vader zelf volstrekt niet religieus.
‘Je kunt nog beter dood aan mijn voeten neervallen…
Zou dat echt beter zijn geweest?
Wat zijn we toch dol op doodgaan, denkt hij, en hij schuifelt tussen de roemloze zerken door. ‘We’ – het idee erbij te horen dat hij soms onderschrijft en soms ook niet. We komen aan, we hebben mazzel dat we nog leven, we hebben geen rooie cent maar gaan meteen op zoek naar een plek om de kinderen te begraven die ons verraden.
Misschien komt het door de woede die voorafgaat aan al dat begraven dat deze plek de schoonheid van de troost ontbeert. In zijn studententijd, toen er geen ‘wij’ in zijn woordenboek voorkwam, schreef Strulovitsj een essay over het schilderij De verrijzenis, Cookham van Spencer, waarin hij het tumult rond Spencers graven bewonderde, de gretige levenslust en de doden die niet konden wachten op wat er hierna zou komen. Maar dit is geen plattelandskerkhof in Berkshire: dit is een begraafplaats van de Messiaslozen in Gatley, South Manchester, waar er geen sprake is van een hierna. Hier houdt het allemaal op.
De sneeuwresten die nog op de grond zijn achtergebleven worden viezig zwart waar ze zich in het graniet van de graven hebben genesteld. Daar zullen ze tot het be – gin van de zomer blijven liggen, als het ooit nog zomer wordt.
De tweede persoon, die hier al lang voor de komst van Strulovitsj was, en zich met tederheid tot de bewoner van een graf richt waarvan de zerk vrijwel geheel is vergaan, is Shylock, eveneens een razende en onstuimige jood, hoewel zijn razernij eerder naar het sardonische dan het listige neigt, en in hevigheid afneemt wanneer hij zich kan verheugen in het gezelschap van zijn vrouw Leah, die diep onder de sneeuw begraven ligt. Hij is minder tweeslachtig van aard dan Strulovitsj, maar veroorzaakt – misschien juist om die reden – wel meer tweedracht. Er zijn geen twee mensen die hetzelfde over hem denken. Zelfs zij die hem onvoorwaardelijk verachten, doen dat in verschillende gradaties van onvoorwaardelijkheid. Hij heeft geldzorgen die Strulovitsj niet heeft, verzamelt kunst noch Bijbels, en vindt het moeilijk om barmhartig te zijn wanneer anderen dat niet zijn jegens hem, wat volgens sommigen iets afdoet aan de geest van barmhartigheid. Wat zijn dochter betreft: het is maar beter om daar zo weinig mogelijk woorden aan vuil te maken.
Hij is geen incidentele rouwdrager zoals Strulovitsj. Hij kan niet weggaan en dan aan iets anders denken. Omdat hij geen man is die kan vergeten of vergeven, was en is er voor hem nooit iets anders.
Strulovitsj onderbreekt zijn overpeinzingen en voelt Shylocks aanwezigheid voordat hij hem ziet – het is alsof hij een klap in zijn nek krijgt, alsof iemand op de begraafplaats zo oneerbiedig is geweest om een sneeuwbal te gooien.
De woorden ‘Mijn liefste Leah’, die als zegeningen op het ijzige graf neerdalen, bereiken de oren van Strulovitsj. De moeder van Strulovitsj was ook een Leah. Maar deze Leah vestigt een onverwoestbare beklagenswaardigheid op haar naam die niet mis te verstaan is voor Strulovitsj, kenner van echtelijk verdriet en vaderlijke gramschap. Leah die voor Shylock een verlovingsring kocht. Leah, moeder van Jessica die de ring stal om een aap te kopen. Jessica, het toonbeeld van trouweloosheid. Nog voor geen wildernis vol apen zou Shylock die ring hebben willen afstaan.
Evenmin als Strulovitsj.
Dus ‘wij’ betekent toch wel iets voor Strulovitsj. Het geloof dat Jessica schendt is zíjn geloof.
Dat zijn in elk geval de enige aanwijzingen die Strulovitsj nodig heeft om hem te herkennen. Hij is daar heel nuchter in. Natuurlijk is Shylock hier, tussen de doden. Wanneer was hij daar niet?

Toen Strulovitsj elf jaar was, voortijdig besnord en slimmer dan goed voor hem was, liep hij met zijn moeder in een warenhuis te winkelen toen zij daar Hitler zag die aftershave aan het kopen was.
‘Vlug Simon!’ beval ze. ‘Waarschuw de politie, dan blijf ik hier om te zorgen dat hij niet ontsnapt.’
Maar geen enkele politieagent wilde geloven dat Hitler in de winkel was, en uiteindelijk wist hij aan het toezicht van Strulovitsj’ moeder te ontkomen.
Strulovitsj had zelf ook niet geloofd dat het Hitler was geweest in die winkel. Toen ze weer thuis waren, maakte hij er een grap over tegen zijn vader.
‘Doe niet zo onbeleefd tegen je moeder,’ zei zijn vader tegen hem. ‘Als zij zegt dat ze Hitler heeft gezien, dan heeft ze Hitler gezien. Je tante Annie kwam vorig jaar Stalin tegen op de markt in Stockport, en toen ik zo oud was als jij zag ik Mozes roeien op het meer in Heaton Park.’
‘Dat kan Mozes niet geweest zijn,’ zei Strulovitsj. ‘Die zou gewoon de wateren hebben doen splijten.’
Voor die bijdehante opmerking werd hij naar zijn kamer gestuurd.
‘Misschien was het Noach!’ riep Strulovitsj boven aan de trap.
‘En daarvoor,’ zei zijn vader, ‘ga jij zonder eten naar bed.’
Later bracht zijn moeder hem stiekem een boterham, zoals Rebecca voor Jacob gedaan zou hebben.
Toen hij ouder was, begreep Strulovitsj de joodse verbeelding beter: waarom daarin geen chronologische of topografische grenzen worden gesteld, waarom het verleden nooit aan het verleden kan worden toevertrouwd, en waarom zijn moeder waarschijnlijk inderdaad Hitler had gezien. Hij is geen Talmoedist, maar leest zo nu en dan een bladzijde in een kleine privébundel met de beste fragmenten. Het punt met de Talmoed is dat het een obstinate dwarsligger zoals hij in staat stelt om rechtstreeks te redetwisten met andere obstinate dwarsliggers die al lang dood zijn.
Wát denkt u, rabbi bar Nahmani? Sodemieter toch op!
Dus er is toch een hiernamaals? Hoe denkt u daarover, rabbi?
Waarop rabbi bar Nahmani zijn lijkwade afschudt en zijn middelvinger opsteekt naar Strulovitsj.

Lang geleden is nu en ergens anders is hier.
Hoe het kan dat Leah begraven ligt tussen de doden van Gatley is een vraag waarmee alleen een dwaas zich het ongenoegen van Shylock op de hals zou wagen te halen. De details van de teraardebestelling – het wanneer en het waar – zijn voor hem volstrekt onbelangrijk. Ze ligt onder de grond, dat is genoeg. Toen ze nog leefde, was ze voor hem overal. Dood, heeft hij lang geleden besloten, zal ze dat ook zijn. Ze draait mee met de aarde. Een eeuwige aanwezigheid die nooit ver van hem vandaan is, waarheen hij zich ook begeeft.
Strulovitsj, waakzaam en gretig, gespannen als een klein instrument dat in verbinding staat met een groter, kijkt ongezien toe. Als het moet, zal hij hier de hele dag blijven staan. Uit Shylocks manier van doen – zoals hij zijn hoofd schuin houdt, knikt, zijn blik afwendt, maar nooit ergens direct naar kijkt, alleen zijdelings als een slang – kan hij afleiden dat het gesprek met Leah fascinerend en intens is, ongestoord door externe gebeurtenissen, en niet langer pijnlijk – een innige maar vlotte, zelfs zakelijke wederzijdse aangelegenheid. Shylock luistert evenveel als hij spreekt, hij denkt na over de dingen die zij naar voren brengt, al moet hij ze al vele malen hebben gehoord. Hij heeft een pocket in zijn hand, opgerold als een juridisch document of de stapel bankbiljetten van een gangster; zo nu en dan opent hij het boek met een bruusk gebaar alsof hij van plan is er een bladzijde uit te scheuren, en leest haar er zachtjes uit voor, waarbij hij zijn mond bedekt – zoals iemand die te bedeesd is om zijn vrolijkheid tentoon te spreiden, zijn lachen inhoudt. Als dat lachen is, denkt Strulovitsj, dan is het een lach die een lange weg heeft moeten afleggen – een hersenlach. Er schiet hem een uitspraak van Kafka te binnen (nog een ongelukkige zoon kan er op dit slagveld wel bij): ‘lachen zoals men dat zonder longen doet’. Net zoals Kafka zelf, misschien. En ook zoals ik? vraagt Strulovitsj zich af. Lachen dat te diep ligt voor de longen? Wat de grapjes betreft, als het grapjes zijn: die zijn strikt privé. Mogelijk zelfs ongepast.
Hij is hier thuis zoals ik dat niet ben, denkt Strulovitsj. Thuis tussen de grafstenen. Thuis in een huwelijk.
Strulovitsj is diepgeraakt door het verschil tussen Shylocks omstandigheden en de zijne. Zelf heeft hij een pover huwelijksverleden. Zijn eerste vrouw en hij hebben hun leven tot een kleine hel gemaakt. Kwam dat doordat ze christelijk was? (‘Gai in drerd’ zei zijn vader toen hij hoorde dat zijn zoon buiten de gemeenschap wilde trouwen. ‘Loop naar de hel!’ Niet zomaar een hel, maar de vurigste ring waar de buiten-de-gemeenschappers terechtkomen. En op de avond voor het huwelijk sprak hij op zijn antwoordapparaat een bericht in dat aan duidelijkheid nog minder te wensen overliet: ‘Voor mij ben je dood.’) Zijn tweede huwelijk, deze keer met een dochter van Abraham, waardoor zijn vader zijn vervloeking herriep en hem door de telefoon Lazarus noemde, kwam tot een abrupt en verlammend einde – met een opschorting van elk gevoel, zoals wanneer je op nieuws wacht dat naar je hoopt nooit zal komen – toen zijn vrouw op de veertiende verjaardag van hun dochter een beroerte kreeg en daarbij haar spraakvermogen en geheugen grotendeels kwijtraakte, en hij als gevolg daarvan het echtgenotelijk deel van zijn hart afsloot.
Het huwelijk! Je raakt je vader kwijt, en anders wel je vrouw.
Zelfmedelijden is Strulovitsj niet vreemd. Leah is voor Shylock levender dan die arme Kay voor mij, denkt hij, en voor het eerst die dag voelt hij de kou.
Terwijl hij Shylock observeert, merkt hij dat de spieren van zijn rug en nek gespannen zijn. Dat doet hem denken aan een figuur uit een van zijn favoriete stripboeken van jaren geleden, een bokser, of misschien was het een worstelaar, die altijd werd getekend met golvende lijntjes eromheen waarmee een krachtenveld werd aangeduid. Hoe zou ik getekend worden, vraagt Strulovitsj zich af. Wat voor tekens kunnen aanduiden wat ik voel?

‘Stel je voor,’ zegt Shylock tegen Leah.
‘Wat moet ik me voorstellen, schat?’
‘Shylock-nijd.’
Wat lacht ze charmant.

Shylock heeft een lange zwarte jas aan waarvan hij de zoom zo te zien uit de sneeuw probeert te houden, en hij zit – enigszins voorovergebogen maar niet zó ver dat zijn jas kreukt – op zo’n vouwstoeltje dat operaliefhebbers uit Londen en de Home Counties altijd meenemen als ze naar Glyndebourne gaan. Strulovitsj weet niet precies wat voor statement Shylock met zijn hoed maakt. Desgevraagd zou Shylock hem hebben gezegd dat hij er zijn hoofd mee warm houdt. Maar het is een gleufhoed – het kenmerk van een man die zich bewust is van zijn uiterlijk. Een hoed voor een dandy; hij wordt gedragen met een vleugje speelse dreiging die wordt gelogenstraft door de afwezigheid van elk teken van speelsheid op zijn gezicht of zelfs maar de herinnering daaraan.
De kleren van Strulovitsj zijn soberder; zijn kunstverzamelaarsjas heeft de sierlijke plooien van een superplie, de kraag van zijn sneeuwwitte overhemd, zonder stropdas, is tot aan de hals dichtgeknoopt volgens de mode in het quattrocento. Shylock, met zijn air van gevaarlijke onwelwillendheid, is minder etherisch en zou kunnen worden aangezien voor een bankier of een advocaat. Hij zou misschien zelfs een Godfather kunnen zijn.

Strulovitsj is blij dat hij het stoffelijk overschot van zijn moeder is komen eren en hij vraagt zich af of hij daarvoor wordt beloond met dit grafgesprek waarvan hij nu getuige is. Is dit wat je krijgt als je een goede zoon bent? In dat geval had hij het eerder moeten proberen. Tenzij er een andere verklaring is. Is het zo dat je simpelweg te zien krijgt wat geschikt voor jou is? Als dat zo is, heeft het geen zin om op zoek te gaan, maar moet je het op je af laten komen. Hij vermaakt zich met de kortstondige fantasie dat Shakespeare, wiens voorouders hun naam zouden hebben kunnen veranderd – om het voorzichtig uit te drukken – van Shapiro in Shakespeare, het Shylock heeft toegestaan om tot hem te komen. Toen hij van het theater naar huis liep, en geesten en tekens in zijn aantekenboek zag, keek hij net lang genoeg in trance om zich heen om Antonio te zien spuwen naar dat verafschuwde ding, een jood.
‘Wat nu! Een jood! Is dat uw neef?’ vraagt Shakespeare.
Dit is Judenfrei elizabethaans Engeland. Vandaar de verbazing.
‘Sssjt,’ zegt de jood.
‘Shylock!’ roept Shakespeare desondanks uit. ‘Mijn neef Shylock of ik ben een christen!’
Shapiro, Shakespeare, Shylock. Een familierelatie.
Strulovitsj vindt het verdrietig dat hij buitengesloten is. Jammer dat zijn naam niet met een sj-klank begint. Het is voor Strulovitsj trouwens overduidelijk dat het om ontvankelijkheid gaat, en dat zelf op zoek gaan gekkenwerk is. Hij kent een schilderachtige joodse begraafplaats op het Lido di Venezia – ooit verlaten maar kortgeleden opgeknapt, geheel in overeenstemming met de nieuwe Europese sfeer van vergoeding en herstel – een door cipressen bewaakt melancholiek en duister oord met hier en daar wrede lichtbanen, waar een kennis van hem, een overspannen rechtzetter van misstanden, talloze pelgrimstochten naar heeft ondernomen, ervan overtuigd dat aangezien Shylock nog niet dood gevonden zou willen worden tussen de ijslikkende toeristen in het Venetiaanse getto hij hier wel te vinden zou zijn, gebroken en verbitterd, zwevend tussen de vervallen grafstenen, het gebed prevelend voor zijn verscheidene doden. Maar helaas. De grote Duitse dichter Heine, een man die net zo weinig bereid was het ‘wij’-woord te bezigen als Strulovitsj, maar er de volgende dag net zo verliefd op was, ondernam dezelfde sentimentele ‘droomjacht’, eveneens zonder succes.
Maar de jacht op Shylock stopt nooit – er is nog zoveel op te helderen en in te lossen.

 

1

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail
Tuinstad bij Amsterdam

Tuinstad bij Amsterdam

jansen4
▲ Klik voor leesfragment!

Als antwoord op de ontmenselijking door de industriële revolutie bouwt de culturele avant-garde aan een nieuwe, utopische wereld. Dansen is een reactie op de geestdodende monotonie van het machinewerk. Steffa Wine drukt zo het ritme uit van de nieuwe tijd. Cornelis van Eesteren wil de nieuwe wereld letterlijk scheppen: in baksteen en beton. In 1935 ontwerpt hij het grote uitbreidingsplan van Amsterdam, dat na de oorlog in uitgeklede vorm wordt gebouwd.
In deze moderne tuinstad groeit de auteur op. Maar voor haar vormen de utopische, rechte lijnen van de architect juist een eentonig raster. De enige zwier in haar wederopbouwwijk gaat uit van de onbereikbare balletschool van Steffa Wine. Vrijwel dagelijks, op weg naar school, probeert ze een glimp op te vangen van de magie achter de etalageruit.
Ondanks de zwaartekracht is een even meeslepend als ingenieus vlechtwerk van drie levensverhalen. Het is een boek over toekomstvisioenen, de noodzaak van kunst, en over wat een mens tot mens maakt, tegen de achtergrond van de bewogen twintigste eeuw. In een beeldende stijl neemt Suzanna Jansen de lezer mee van de avant-gardescene in Parijs en Berlijn, via de onzekere jaren dertig, langs de klippen van de oorlog en de wederopbouw. Gaandeweg toont ze welke sporen de dromen van honderd jaar geleden hebben nagelaten in onze tijd.

 

1

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail